Amsterdam is een hoer

[dropcap]A[/dropcap]msterdam is een vrouw. Dat kan niet anders, dat moet haast wel. Ik ben al jaren verliefd op haar, soms heftig, dan weer lange tijd in stilte, voorzichtig en timide. Heel soms kijkt ze me aan en heb ik het gevoel dat de liefde wederzijds is.

Ik ben geen Amsterdammer. Ik ben net als de meeste Amsterdammers iemand die van buiten komt, van ver, uit de provincie. Voor mij was Amsterdam ooit de stad waar je heen moest als je iets wilde bereiken, de hoofdstad, de enige stad in Nederland die ertoe doet, een ideaal. Nu ik er ben, heb ik twee dochters die er geboren zijn, en soms sla ik hun paspoorten open om van hun geboorteplaats te genieten. Amsterdam. Waar moeten mijn meiden het gaan maken?

Van meet af aan is mijn liefde voor de stad vermengd geweest met ontzag, angst en de verlegenheid van de dorpeling die ik ben. Deze stad is een vrouw waar je tegenop kijkt. Zij kent de wereld en doorziet de mensen – in het bijzonder mannen die verliefd op haar zijn. Zij heeft een scherpe tong en geen geweten.

Amsterdam is blond, want ik val op blond. Ze is van onbestemde leeftijd, maar neigt naar jeugdigheid. De ene keer doet ze daar meer moeite voor dan de andere keer, soms is ze lachwekkend en pathetisch, maar meestal niet, daar heeft ze teveel macht voor.

Ik ken haar al vijfentwintig jaar.

Ik ken haar nachten, en haar plekken waar je niet moet komen, tenzij je écht wanhopig van haar houdt – dan is zelfs die mengeling van zweet en stof tussen haar blote tenen onweerstaanbaar lekker, ja zelfs haar gedragen onderbroek. Ik ken haar ochtenden, dan heeft ze er zin in, en haar middagen, dan klaagt ze, want daar houdt ze van – klagen, dat is het gezang van Amsterdam, het lijkt gezellig, maar is het niet.

Ik ken haar straten, natuurlijk ken ik haar straten – vooral díe straten die van haar weg voeren, of die me naar haar toe brengen – dat moet ik erbij zeggen: de Overtoom, de Wibautstraat, de Van Hallstraat en de bocht naar de Haarlemmerweg, Gerard en Karel van het Reve zijn daar geboren, de weg achter het Centraal Station langs, naar de Piet Hein Tunnel, de Middenweg langs Ajax dat er niet meer is, de Willemsparkweg (wie was toch Willem Spark?), de Amstelveenseweg met die fijne rotonde bij de bajes waar ook de Lairessestraat op uit komt en dan langs het Olympische stadion en de Citroengarage, hup naar de ring, linksaf voor het gebouw van de ING. Ja, de straten van de Amsterdam waar ik werkelijk van houd, zijn allemaal straten die me naar elders voeren, weg van haar – en, uiteraard, naar haar terug.

Het liefst: over de snelweg.

Vanuit Utrecht zie ik bij Vinkeveen de Rembrandttoren vaag en grijs boven de horizon uitsteken, ’s avonds knippert er een lampje op. Vanuit Rotterdam en Den Haag kom je langs Schiphol, waar Nederland even een internationaal niemandsland is, een wasteland als alle andere wastelands, met dit verschil dat in de verte Amsterdam ligt, met haar bescheiden skyline. Vanuit het noorden, komend langs Purmerend; de machtige, brede snelweg die zich splits in ring-noord en ring-west, inclusief Coentunnel en daarna de hoge, walmende pijpen van de Hemcentrale, prompt gevolgd door de torens van de Belastingdienst.

Bij Breda de grens overkomen en op de borden nergens Amsterdam zien staan, de pijn die dat doet. Heel klein, “Amsterdam: volg Utrecht”. In Franrijk zou het ondenkbaar zijn: daar zijn ze trots op hun hoofdstad. En dan rij je die weg richting Utrecht en wijzen de borden naar Almere. Alsof Almere een plaats is die er toe doet. Pas op het laatste moment, bij Everdingen, hangt mijn eigen stad dan pontificaal boven de weg. Terugkomend van vakantie springen de harten in de auto op en het gezang kan losbarsten: We zijn er bijna, we zijn er bijna. De andere route, rechtdoor bij Breda, over Dordrecht en Rotterdam, is nog erger. Daar komt de hoofdstad op de ring van Rotterdam één keer in kleine letters voor: bij de afslag naar Den Haag en Delft. Alsof die Rotterdammers je het liefst tot in de dood rondjes om hun Rotjeknor willen laten rijden.

Wij nemen altijd Utrecht. Al was het maar omdat ik daar ben geboren. En belangrijker: wie vanaf Utrecht Amsterdam nadert, heeft de kans de stad over de Utrechtsebrug binnen te komen. En er gaat niets boven het met hoge snelheid naderen van die brug en de stoplichten die dan de weg versperren. Een erge grote fan van stoplichten ben ik niet, maar de stoplichten aan het begin van de Rijnstraat zijn de mooiste stoplichten ter wereld. Kijk, daar ligt ineens Amsterdam voor je. Linksaf naar de Rai, rechtsaf naar de Amstel, rechtdoor de Rijnstraat en de Van Wou in het verlengde: wie een paar weken is weggeweest en via deze route Amsterdam binnenrijdt, is meteen weer thuis; Raf, Albert Heijn, het kruispunt met de Vrijheidslaan, de wolkenkrabber links, de Berlagebrug rechts. De rinkelende trams, de fietsers, de cabrio’s, de oudjes met hun hondjes, de jonge moeders met hun bakfietsen vol kwetterend grut, de bestelbusjes, de Turkse vrouwen in hun lange winterjassen, de negermeisjes met hun Motorolaatjes, Agh, Amsterdam. Het mooist is zij op een warme dag in augustus; als het groen vet en stoffig is en de straten vermoeid zijn, de scholen nog niet begonnen, maar de nieuwe agenda’s al bijna uitverkocht.

Amsterdam, ik ken haar.

Net als mensen bestaat zij voor het grootste deel uit water: grachten, de Amstel, kanalen, de haven, het Ij, de ringvaart aan de westkant van de stad. Het is beroemd water, bezongen water. Laatst stond ik op een brug, de brug over de Leidsegracht, bij de Prinsengracht, vlakbij het Paleis van Justitie. Op deze plek kreeg Pieter Goemans in 1949 de inspiratie voor het lied “Aan de Amsterdamse grachten”. Dat lied haat ik, maar dat doet er niet toe. Ooit zag ik op deze brug twee zwervers die een tientje in de gracht hadden laten vallen. Met tranen in hun ogen zagen ze het biljet wegdrijven. Het was nog in de tijd van de gulden, het tientje was blauw als de hemel waar we terechtkomen als we ons best maar doen.

Later zag ik hier een verliefd stelletje zo onstuimig zoenen dat het pijn deed aan de ogen. Je herinnert je dan je eigen verliefdheden, en je kunt denken aan de verliefdheden die je eigen kinderen te wachten staan. Ook heb ik hier vaak met de auto vastgestaan als ik de stad in wilde, toeterend naar Theo van Gogh op het terras van De Pieper, en één keer is hier van mij een fiets gestolen die ik met een zware ketting aan de reling had vastgezet – een typische Amsterdamse ervaring; ’s ochtends vroeg naar je fiets lopen en alleen het slot aantreffen; heel eenzaam ziet zo’n ketting er dan uit.

Enfin.

Zo’n brug dus. In de vijfentwintig jaar dat ik met Amsterdam ben, zal ik er duizenden keren overheen zijn gekomen. Had ik dat maar vanaf het begin in een boekje genoteerd – dan kon ik nu de exacte getallen overleggen. Ik zou ook graag willen weten hoe vaak ik door de Damstraat ben gelopen, een straat waar Napoleon ooit nog in de file heeft gestaan; zijn koets kon niet verder omdat het vuilnis werd opgehaald. Hoe vaak heb ik in de Sarpatistraat op een tram staan wachten? 921 keer, in twintig jaar. En wat deed ik in die lange, stoffige Sarpatistraat, behalve wachten op de tram? Dat zou ik bij nader inzien graag willen weten.

Hier dacht ik dus aan – terwijl ik op die brug stond, een brug als andere bruggen in de grachtengordel waar door mensen die haar niet kennen vaak denigrerend over wordt gedaan. Het was druk op en rond en onder de brug, want de zon scheen en de stad liet zich van haar mooiste kant zien: colonnes toeristen op gele huurfietsen, de grachten zwart van de boten, de terrassen vol, de kroon op de Westertoren een bal van feestelijk vuur, toeterende auto’s, lossende vrachtwagens van Heineken, de Opstapper met Hans van Mierlo aan boord, Italiaanse jongens die de weg naar de Bulldog vragen (leuk om ze de verkeerde kant op te sturen), telefonerende fietsers, meisjes met tasjes van Douglas en de H&M, zweet op hun neus, een hond die zijn rug kromt om te gaan schijten, een trekschuit vol lallende studenten onder de brug.

Amsterdam.

Alleen bij extreem slecht weer en op zondagochtend vroeg is zij nog alleen. De rest van de tijd is de stad een hoer met extreem veel klandizie; onder de bomen en tussen de geparkeerde auto’s staan de mensen te wachten tot ze binnen mogen. Toch is het mijn stad, daar doe ik niets aan. Nou ja, weggaan. En weer terugkomen, dus. Komen en gaan, de bewegingen van de liefde.

einde

download