Bij de dood van Jan

[dropcap]T[/dropcap]erug van vakantie neem ik de post door. En daar is het bericht: Jan is dood. Dat zal u verder weinig zeggen. Het wemelt van de Jannen. Er kan er iedere dag welk eentje dood gaan. Maar mijn Jan was een speciale Jan. Altijd als ik langs Culemborg reed, moest ik aan hem denken. Daar woonde hij.

Maar ik durfde niet onverwachts bij hem aan te komen. Ik kende Jan alleen van het internet. Hij was mijn leidsman in de wondere wereld van de digatele Bob Dylan. Er kon eigenlijk geen dag voorbij gaan of ik had wel een vraag voor Jan. “Niet zo ongeduldig!” mailde hij dan terug en de volgende dag lag een pakketje op de mat.

Jans pakketjes waren legendarisch. Ze bestonden voor het grootste deel uit van dat gemene, brede, bruine plakband. Ik moest er speciaal een mes voor kopen. Ook Wel eens leuk. Er kwam dan een CD-tje te voorschijn waar Jan zon min mogelijk tekst op had gezet. Soms hoorde er artwork bij, maar dan moest ik dan zelf bij Jan maar downloaden en op mijn eigen printer uitprinter.

Deed ik braaf.

En zo doende heb ik nu een hele rij Dylan/Jan in mijn kast staan. Ik stuurde hem ook dingen terug trouwens, boeken meestal. Qua muziek wilde ik hem niet beledigen met pak hem beet The Rifles en qua Dylan was hij onovertrefbaar. Hij stuurde mee eens een foto van zijn Dylan-collectie; meer dan 5000 CD’s stoden daarin keurig gerangschikt; iedere officiele release, iedere ononfficiele release en én iedere optreden dat Dylan ooit heeft gegeven. De verzameling was zo groot dat hij niet helemaal op de foto pastte.

Dat was Jan.

Zijn verzameling was als het ware té groot voor hem. Hij zal meer vrienden als ik hebben gehad, hij had het wel eens over iemand in Engeland, en hij was iedere dag met zijn passie bezig. Ik heb hem één keer iets kunnen geven dat echt zeldzaam is, een bibliofiel boekje over Bob dat ik samen Peter Pontiac voor de Statenpers in Leiden had. gemaakt. “EN TOEN KWAM DE POST EN VLOEIDEN ER TRANEN,” reageerde JAN.

Jan had kanker. Daar deed hij niet moeilijk over. Prostraatkanker met uitzaaiingen. Aanvankelijk was hij optimistisch over de effecten van de chemokuren die hij kreeg, daarna geloofde hij een tijd lang in (zelf)behandeling met chloorazijn en toen werd het stil rond zijn ziekte. Hij was uitbehandeld. Ik had het gevoel dat hij daar een groot onrecht in zag. In november zou ter gelegenheid van zijn 65ste een groot feest worden gegeven. Als “brother in arms” werd ik door zijn vrienden gevraagd daar als een soort verrassing te komen. Natuurlijk zou ik dat doen, maar Jan ondekte dat er een feest werd geplanned, en zag er niets in. Hij zal voorvoeld dat hij november niet ging halen.

De laatste contacten die ik had, waren al niet meer met hem, maar zijn vriendin: “Jan verzwakt elke dag een beetje meer, schreef ze 2 februari, “hij zegt elke ochtend dat hij vandaag zijn mail gaat lezen. Moet daar de trap voor op (8 treetjes) maar aan het einde van de dag is het weer niet gedaan.”

Tsja, acht treden.

Daar kun je om huilen,

Bob Dylan zelf, tot besluit, waar Jan zoveel van zijn leven aan gaf (hoe vreemd is dat eigenijk niet): “I gaze into the doorway of temptation’ s angry flame / And every time I pass that way I always hear my name. Then onward in my journey I come to understand / That every hair is numbered like every grain of sand.” De ultieme passant in andermans leven. Zandkorrels zijn we.


Deze content is geplaatst in categorie: Berichten.