Bloem in Zutphen

[dropcap]D[/dropcap]e dichter J.C. Bloem bracht het grootste deel van de Tweede Wereldoorlog in Zutphen door, maar er is niets in Zutphen dat aan hem herinnert. Wel is er voldoende dat herinnert aan die oorlog.

Neem bijvoorbeeld het Stationsplein, niet alleen de entree van Zutphen voor treinreizigers, maar ook een verkeersader rechtstreeks in het verlengde van de Ijselbrug. Dit deel van de stad is in 1944 vaak gebombardeerd, en er is in april 1945 zo zwaar gevochten dat het na het de oorlog helemaal opnieuw moest worden gebouwd. Dat is te zien: het Stationsplein wordt omgeven door van die lage, droevige wederopbouw-flatjes.

Bloem woonde aanvankelijk in Warnsveld, een dorp vlakbij de stad, en later niet ver van het station, aan de Deventerweg, samen met zijn ex-vrouw, Clara Eggink, en hun zoontje, in een woning die op Dolle Dinsdag was vrijgekomen omdat de NSB-er die er woonde het hazenpad had gekozen. De achterkant van het huis was bij een van de bombardementen op het spoorwegemplacement min of meer weggevaagd, maar toch kon het huis nog bewoond worden. Bloem werkte als griffier bij de rechtbank, destijds gevestigd in de Lange Hofstraat, naast het stadhuis en Zutphens beroemdste kerk, de Walburgkerk. Werken is overigens een groot woord in dit verband; Bloem hield er niet van, en zijn superieuren hielden niet van hem.

Clara Eggink beschrijft die laatste oorlogswinter in haar boek Leven met J.C. Bloem bijzonder goed: terwijl de buren zich bij het minste geringste terugtrekken in de schuilkelder onder hun huis, zitten de Bloemen gewoon te kaarten bij kaarslicht in hun woonkamer. Pas als ze in hun slaap gestoord worden door een inslaande granaat, duiken ze onder de trap – waarbij Bloem, het kale hoofd bedekt met gruis, de historische woorden “Ik leef nog klinkt zijn stemgeluid/Maar wat ziet de man eruit” sprak. De meeste bizarre scenes zijn als Eggink man tegen man gevechten in de de achtertuin beschrijft; de dichter bleef gewoon op zijn stoel zitten lezen.

Ik moest hieraan denken toen ik gisteren langs die voormalige rechtbank in de Hofstraat liep. Er schuin tegenover zag ik ineens het oude, verweerde uithangbord van wat een winkel in klokken, pendules en horloges was geweest. De zaak zelf was er al lang niet meer, maar de naam was aan de gevel nog goed te zien: Firma J.A. Nijland. Ik stelde me voor hoe Bloem wandelend naar zijn vreselijke werk vaak dralend bij Nijland in de etalage had staan kijken. Een man die het tijdloze nastreefde in zijn gedichten moet toch een zwak voor uurwerken hebben gehad, al was het maar omdat ze het zinloze zo subliem symboliseerden. Of ben ik nu niet meer te volgen?

Hoe dan ook – verderop was een boekwinkel waar het werk van Bloem niet te koop was, het lot van alle dichters die lang dood zijn. Ik vervolgde mijn weg, langs het oude Wijnhuis en de Groenmarkt, de Turfstraat in. Daar trof ik nog een boekwinkel, en daar stond Bloem wel in de kast, broederlijk naast H.C. Ten Berge, Zutphens bekendste levende dichter die in roem alleen wordt overtroffen door de dode Ida Gerhard. Met Bloems Verzamelde gedichten onder mijn arm liep ik naar Ijsel die ver buiten zijn oevers stond.

no-image800

[oorspronkelijke afbeelding verdwenen]

Ik sloeg het boek open op een willekeurige plaats en las:

“De zon brak door de barre voorjaarslucht.
Plotseling kantelde er een vogelvlucht.
Op de aarde smolt de dungezaaide sneeuw.
Hart, gij zijt vrij; gij waart om niets beducht.”

Voorjaar,heette het gedicht.

download


Deze content is geplaatst in categorie: Berichten.