Bril is blij

[dropcap]T[/dropcap]wintig jaar na zijn debuut als schrijver, is Martin Bril (47) de populairste columnist van Nederland, bekend van tv bovendien. Maar komt met die roem ook het grote geluk?

[1] Het is één van die cruciale momenten van geluk in het leven van Martin Bril. ‘s Ochtends de deur achter zich dichttrekken. Ha, een nieuwe dag, waar gaan we heen?

[2] Hij zit achter het stuur van zijn lichtgele, limited edition Volvo 850 T5R, zijn rijdende kantoor. Ongeschoren, Chanel zonnebril in het haar, de leesbril in de binnenzak van zijn velours Hans Ubbink jasje. Een aanzienlijke hoeveelheid as op de mat onder zijn stoel. Pakje John Player Special’s binnen handbereik. We zijn onderweg naar de Zuiderzeestraatweg, een oude verbindingsweg tussen Amersfoort en Zwolle. Waarom precies weet hij nog niet, maar de Zuiderzeestraatweg is het onderwerp voor zijn stukje van morgen. We gaan de snelweg af, het land in.

[3] Wie door de voorruit van zijn Volvo kijkt, ziet de wereld door Brils ogen. Weinig blijft onopgemerkt, Bril ziet en benoemt alles. Zie daar, een wachtende ijsvijver in een weiland. Een merkwaardig kasteeltje in de verte, je ziet het niet, maar het staat er wel. Een spandoek tussen twee bomen met de tekst Jezus helpt. De felicitatietekst Henk wordt 40, gedraag je er ook naar in de tuin van een woning. Het landschap, de dorpen, haar inwoners en hun alledaagse eigenaardigheden, ze lijken op hun beurt te anticiperen op Brils aanwezigheid. De nordic walker in de natte berm. De kapperszaak die Henk Koele Knipsalon heet. Het wokrestaurant in een verbouwde dorpswinkel. De simultaan opbollende trainingspakken van het echtpaar dat op hun Batavus tegen de wind in fietst. Een droeve poster in een leeg bushokje. Het bevat allemaal iets jammerlijks, iets onnozels. Niet voor Bril. Hij houdt van dit land. “Overal wonen mensen. Ze hebben allemaal zorgen, verdriet, momenten van blijdschap, verlangens. En intussen draait de wereld maar gewoon door. Wat doen al die mensen, wat drijft hen? Dat fascineert me.”

[4] Martin Bril is een schrijfmachine. Hij produceert met één voet op het gaspedaal, kilometers tekst. Vijf dagen per week de column op de pagina Voorkant van de Volkskrant, de zesde dag in het Volkskrant Magazine. Het feuilleton Evelien voor Vrij Nederland, stukjes over vrouwenzaken en damesdingen in La Vie en Rose. Het dictee voor het Groot Dictee der Nederlandse Taal, vorig jaar. Hij produceert boeken; romans, bundels, gedichten. Twintig jaar is hij onderweg. Sinds zijn debuut Arbeidsvitaminen in 1987, dat hij schreef met studievriend Dirk van Weelden, stapelen de boeken zich op. In 2004 verschenen er zes titels, in 2005 twee, vorig jaar drie. En gister eentje, de bundel Schitterend Blauw, reisverhalen gecentreerd rond de kleur blauw. Geen feestje gehouden? “Nee geen feestje. Dan blijf ik bezig. En het kost klauwen met geld, feestjes.”

[5] Hij is niet het soort man om een emmer vragen overheen te kieperen. Laat hem maar praten. Dat is het leuke van Bril. Je schuift naast hem en hij begint te praten. Eindeloos, en met spectaculaire wendingen.
“Kijk, hier links, dat is het landgoed van Marcel van Dam. Dat vind ik zo mooi, zwanen in het weiland. Zie je dat kanon, rechts? Die gebruikten ze vroeger om de dorpsbewoners te waarschuwen voor de storm.” Dan, boos: “Windmolens, die haat ik intens! Een uitvinding van Irene Vorrink, weet je wie dat is?”
En: “Was ik maar ambtenaar. Om drie uur klaar, met mijn Opel de file in, een Dockersbroek aan, leuke pullover erbij. Nu is het best een ingewikkeld leven. Living by your wits, het is een onzeker bestaan, hoe hoog je ook komt op de ladder. Ik zou best heel graag gewoon willen zijn.”
Echt waar?
“Nee. Niet echt.”

[6] Hij mag dan twintig jaar bezig zijn, volgens Bril begon het “officiële begin van mezelf” pas in 1997. De tien jaren daaraan voorafgaand waren feitelijk slechts ter voorbereiding voor wat er kwam, als hij er zo op terug kijkt. “Na mijn debuut ging ik eigenlijk vrij snel ten onder. Ik zag schrijven als iets romantisch, iets dat in eenzaamheid moest gebeuren. Ik bracht mijn tijd vooral buiten de stad door. In een zomerhuisje in Bergen. In Frankrijk. In Drenthe.” Mislukt heeft hij zich nooit gevoeld. “Ik had het gevoel dat ik op weg was, en dat al die eenzaamheid, drank en bruine bonen bij het kunstenaarsschap hoorden.” In Amerika, waar Bril een jaar met vrouw en oudste dochter verbleef, las hij the New Yorker en ontdekte hij, wat hij noemt, “het verband tussen echt schrijven en echte journalistiek.” Bril: “In de traditie van The New Yorker draaide het allemaal om helderheid, om eenvoud, humor, understatement en compassie. Dat kleine schrijven, het schijnbaar simplisme, dat trok me aan.” En toen, volgens eigen zeggen een hoop puinhoop en rotzooi later, kwam begin 1997 de column in het Parool. Zijn doorbraak. “Ik wist niet wanneer het zou komen, en ik wist ook niet dát het zou komen, maar toen het moment zich aandiende was ik er klaar voor, gek genoeg. Men zegt dat je geluk afdwingt. Maar daar geloof ik niet in. Je kunt alleen maar voorbereid zijn. Be prepared. In mijn geval was het puur geluk. Als Ischa Meijer niet was doodgegaan had niemand me ooit voor Het Parool gevraagd. Ik had het geluk dat de hoofdredacteur van destijds, Matthijs van Nieuwkerk, me deze kans gaf. Nu viel alles op zijn plaats. Ineens werd ik gelezen. Een openbaring.”

[7] “Ik denk niet in termen van ‘ik ben de grootste columnist’, al is dat misschien wel zo. Ik ben wel de populairste. Omdat ik de snaar van het gewone raak. Aan de oppervlakte gebeurt heel veel. Diepgang wordt overschat.”

[8] We zijn in Oldebroek. Een christelijk gehucht, gelegen aan de Zuiderzeestraatweg. We lopen over de dorpsweg, met links een cafetaria en rechts een drogist. Bril staat stil voor de etalage van boekhandel De Medeklinker. Zijn oog valt op een lijst, een literaire top 10. Geen bekende titels, deze top tien blijkt een christelijke. Bril stapt de zaak binnen. “Goedemiddag!” Behalve twee verkoopsters is er niemand in de winkel. Glurend over de rand van hun leesbrillen nemen de twee hem op. Bril vraagt ze om een kopietje van de lijst, te gebruiken als researchmateriaal. De hoofdverkoopster wordt erbij gehaald. Bril vergaapt zich aan de stapels bijbels en krabbelt verheugd in zijn zwarte boekje. “Meneer,” vraagt de hoofdverkoopster, “Wóónt u hier? Uw gezicht komt me zo bekend voor.” Bril grijnst, enigszins gegeneerd, maar nog steeds even vriendelijk. “Ik schrijf voor de Volkskrant,” zegt hij. “En ja, dan kom je nog eens ergens.”
“Ja ja,” reageert de hoofdverkoopster, het hoofd knikkend. “En hoe heet u, als ik vragen mag?” “Martin Bril.” “Ja ja.” Haar blauwe oorbellen schudden. “En ik kom zo nu en dan ook op televisie.”
“Ja. Ja. Dan ken ik u daar van.” De hoofdverkoopster lijkt opgelucht.
“Lief hè,” zegt Bril, als we met lijst de zaak uitlopen.
Later: “Ik weet van te voren niet wat me trekt in zo’n gehucht als Oldebroek. Maar ik moet er toch naar toe. En dan weet je wat het is. Het zijn die bijbels. Kijk, we hadden ook een andere zaak binnen kunnen gaan. Maar mijn oog valt op die lijst. En zo werkt het.”

[9] “Iedereen wil beroemd worden. Je denkt dat het geweldig is, maar als je het eenmaal bent, dan blijkt er niks veranderd. Behalve dan dat het verplichtingen schept. Je kunt er niet meer met de pet naar gooien. De mensen verwachten iets van je. En die verwachtingen moet je waar maken. Echt waar. Met leugens kom je nergens.”

[10] We lunchen in Blokzijl bij Kaatje aan de Sluis, een plek waar Bril graag een halfuur voor omrijdt. Hij zit een beetje weggedoken op de bank, zijn hoofd rustend tegen de leuning. Voor me ligt zijn debuut, met op de cover een jonge Bril, met bruin haar en een roze rock ‘n roll overhemd. De Bril van nu is een stukje ouder geworden. Nee, dat vindt hij niet erg. “Ik weet dingen, ik heb geleerd. Je komt dichter bij de kern. Je ontdekt het en het valt op zijn plaats. Ik was me lang niet bewust van mijn verantwoordelijkheden. Nu wel. Henk wordt veertig, gedraag je er ook naar, dat idee. En je loopt er fysiek tegenaan. Vroeger kostte het me een halve dag om bij te komen, nu drie dagen, waarvan ik er twee niet uit zie. De tol wordt steeds hoger, daar leer je rekening mee te houden.” Nachtenlang doorhalen tijdens zijn theatertournees met vrienden Bart Chabot en Ronald Giphart is er ook niet echt bij. “Ter plekke is het ouwe jongens krentenbrood, maar daarna, om elf uur, is het naar huis, ieder voor zich. Bart heeft geen GPS, die raakt altijd de weg kwijt, dus die vergezellen we vaak nog even. Maar zodra ik op de snelweg ben geef ik gas, naar huis, de radio aan, Met het Oog op Morgen luisteren.”

[11] Vrijdags gaat hij golfen, met mevrouw Bril. Tegen dat balletje slaan, dat geluid ‘pok!’ horen, bezorgt hem een instant geluksgevoel. Vissen, de hengelsport, dat vindt hij ook leuk. Forellen vangen in riviertjes. Of gewoon om de hoek, aan de Nassaukade in Amsterdam, snoekbaars in de Singelgracht. Maar hij heeft meer tijd doorgebracht in hengelsportpaleizen dan aan de waterkant. Nee, dan golfen. Dat behoeft niet persé een lading hulpstukken in een kar. Dat kan ook zo, in de kleren die hij nu aan heeft. Als rocker.

[12] Vijf jaar geleden werd hij getroffen door darmkanker. Zijn ziekte ligt achter hem. Niet dat hij gelooft er ooit helemaal vanaf te kunnen zijn. Volgens Bril is het fictie dat je ooit definitief van kanker geneest, het komt namelijk hoe dan ook weer terug. Toch heeft ziek zijn weinig met hem gedaan, vertelt hij. “Ik zat net een jaar bij de Volkskrant, ik was in topvorm. Ik kon niet zeggen ‘ik ga er even tussenuit’, want ik was paranoia dat er dan één of andere oliebol op mijn plek ging staan, en dan was ik het kwijt. Plus, ik vond het een goed onderwerp. Niet dat ik er veel over geschreven heb, trouwens. Ik was niet van plan me uit het veld te laten slaan. Kanker is domme pech. Shit happens. Er zat weinig anders op dan maar gewoon door te gaan. Ik dacht nooit waarom ik. Eén op de drie mensen krijgt het. Het komt op je pad en je verweeft het in je manier van leven. Het maakt je bewust dat het leven eindig is, maar dat wist ik eigenlijk al.”

[13] “Ik ben een tobber. Maar ik vind het een morele plicht om optimistisch te zijn. De mensen zich laten verzoenen met het alledaagse leven, dat is mijn drijfveer.”

[14] Hij heeft de reputatie een versierder te zijn. Maar hij is een flirter, geen versierder, zegt hij zelf. “Ik voeg nooit daad bij woord, maar ik ben gek op aandacht. Ik roep al gauw schat, engel of liefje tegen meisjes in de horeca, of tegen collega’s. Mijn vader zei vroeger altijd al pussycat tegen serveersters, van hem heb ik het. Dat kun je nauwelijks flirten noemen, het is meer een ingesleten gewoonte, aandachttrekkerij. Echt flirten kan ik ook, dan lichten mijn ogen op, zegt mijn vrouw. Maar flirten eindigt in niks. Voor je het weet gaat zo’n meisje er op in, geef je haar toch je nummer en dan zit je wekenlang opgescheept met allemaal geile smsjes.” En hij spreekt uit ervaring. “Het is een vorm van nieuwsgierigheid. Ik vind het spannend om in iemands leven binnen te dringen. Ik heb maar één vinger nodig om onhebbelijk nieuwsgierig te worden, dan wil ik alles van haar weten. Heeft ze puistjes op d’r billen, wat voor ondergoed draagt ze. Ik heb een zwak voor intieme details. Ik word er niet geil van, maar het fascineert me mateloos. Laatst zat ik bij de kapper, ik werd geknipt door een heel leuk meisje, en dan gaat zo’n gesprek unverfroren over schaamhaar. Wel of niet scheren? Dat vind ik leuke conversaties.” Tijdens hun theatertour komen Giphart, Chabot en Bril ook veel vrouwen tegen. Sommigen vol verlangen, soms echt groupies. “Gaan we niet op in. Je weet nooit waar je in terecht komt. De tijd van ongestraft iets doen is voorbij, voor je het weet sta je op internet met, nouja. Met z’n drieën maak je er wel verwachtingsvolle grappen over, maar het wordt toch nooit wat. Laatst kregen we gezelschap van een vrouw, vrijgezel, met een hond en een mooi gezichtje, mits je er kort naar keek. Ze was werkloos, zei ze, maar ze had ook een nagelstudio aan huis en ze werkte parttime bij de Praxis. Ja, dan heb je me. Je kan mij niet genoeg details vertellen. Maar liever dat ze het vertelt dan dat ik het moet ontdekken. Ze was er echt zo’n eentje uit de categorie ‘iedereen heeft het moeilijk, het leven is hard’.
De kans dat je een vrouw treft die alleen maar wil neuken is klein. Ze willen toch altijd meer. Praten, hun schoenencollectie laten zien, wine and dine. Dan is de sop de kool niet waard, om het maar oneerbiedig te zeggen. Maar God, zulke dingen gebeuren. En het is wel leuk.” Bril grinnikt.

[15] Hij vindt het belangrijk zijn publiek onder ogen te komen. Vandaar die theatertournee en voorleesbeurten in het land. De afgelopen jaren is het steeds drukker geworden in de zalen. Daar doet hij het voor. “Ik was laatst in Amen, een dorp in Drenthe. Je komt terecht bij één of andere boerenschuur, je denkt ‘Jezus wat doe ik hier’. En dan zitten er driehonderd man in de zaal. Voor jou. En voor elkaar natuurlijk, en de drank, niet te vergeten. Maar toch, dan krijg ik de behoefte om te gaan entertainen. Het is niet altijd een zegetocht, maar teleurstellingen houden je nederig. Want waar je ook komt, overal zitten mensen, iedereen ploetert maar voort, dat doe ik ook. Ik heb een vrij strak ritme. Werk zes dagen per week. Ik drink alleen een glaasje bij de lunch. Of ‘s avonds laat, bij de krant. Het is een gedisciplineerde onderneming, mijn bestaan, maar het zou nog gedisciplineerder kunnen zijn. Dan zou ik drie onderwerpen gaan zoeken vandaag. En niet twee uur zitten lunchen bij Kaatje. En zo gaat het vaker. Dan heb ik geen zin meer, wil ik naar huis.”

[16] We nemen weer plaats in zijn rijdende kantoor. Bril bedenkt zich dat ergens in de buurt een schitterende betonnen bushalte aan wegkant staat. Een paar weken geleden hing in deze halte een poster van ene Nienke, herinnert hij zich. Nu wil hij weten of Nienke nog steeds op haar poster in de bushalte hangt. Hij treft het. Hij parkeert zijn Volvo in de berm, laat de motor lopen en beweegt zich op een drafje naar de poster. De bushalte is onbemand. Vluchtig pakt hij zijn leesbril erbij. Bril tuurt naar Nienke, een blond meisje dat blijkens de handgeschreven tekst onder haar foto een aantal dagen geleden heeft opgetreden in Emst, nabij Epe. Bril doet een paar stappen terug, staart nog eens de natte weilanden in, krabbelt in zijn boekje en hobbelt weer terug naar zijn Volvo. Hij heeft er weer eentje.

[17] “Ik kreeg een brief van een meisje van veertien, uit Brabant. Veertien, zo oud is mijn dochter. Die kijkt nooit een krant in. Dit meisje las mijn column elke dag. Ik kan mijn ogen niet geloven als ik dat lees. Veertien. Schattig. En ik ontdekte op zo’n forum een gedicht van een meisje van zeventien waarin ze beschreef dat ze met me neuken wil. Volkomen bizar. Het zijn gekke cirkels. Ik begeef me nu tussen mijn helden. Vaandrager, mijn jeugdheld, die heb ik als het ware naar zijn graf begeleid. Hij ging dood op de dag dat mijn dochter geboren werd. En Remco, Remco Campert, ook een held, die spreek ik nu gewoon, als ik hem tegenkom. Gek is dat. Niet dat het me trots maakt. Nee. Je maakt er deel van uit en dat is bijzonder. Nederland is klein qua culturele elite, je kent elkaar al heel snel. Maar ik hoef niet mee te doen met die zogenaamde clubjes. Ik ben een buitenstaander, altijd al geweest.”

[18] Over drie jaar is hij vijftig. Dan gaat hij het anders doen. Kortere columns. Nu heeft hij er een fulltime baan aan, dat moet minder worden. Zijn werk staat ook niet in verhouding tot zijn honorarium, vertelt hij. “Ik heb bij een contract voor een fulltime medewerker, maar als je het per stukje terugrekent ben ik de slechts betaalde columnist van de Volkskrant. Niet dat het uitmaakt. Ik heb het goed. Maar op termijn wil ik naar de voorpagina. Naar het hoekje dat er niet meer is.”

[19] Is hij gelukkig? “Soms. Vijf minuten ofzo. Als ik een onderwerp zie. En als ik dat heb omgezet in een column. Als ik een mooi liedje hoor, Sea of Love in een uitvoering van Tom Waits. Als ik net ben klaargekomen. De rest van de tijd ben ik hoofdzakelijk onrustig, ongelukkig, bezorgd en zenuwachtig. Het is heel, heel erg moeilijk om gelukkig te zijn. Blissfull ignorance, het is mij niet gegeven. Gelukkig maar.”

[20] Nog zo’n geluksmoment: Het applaus dat als een echo in zijn hoofd klinkt, in de auto terug naar huis.

@ Vanessa Oostijen/ESQUIRE

download