De afwezige Bob

[dropcap]E[/dropcap]lvis Presley gaf nooit toegiften, speelde de finales van zijn shows met alle zaallichten aan en verliet het podium in grote haast, alsof hij op de vlucht was voor zijn eigen muziek. Terwijl het applaus aanzwol, speelde de band door, tot het ceremoniële einde `Elvis just left the building’ klonk.

Wie ooit verzonnen heeft dat een show van Presley zo moest eindigen, is niet bekend, maar dat The King en zijn entourage de mededeling letterlijk namen, wat goed beschouwd niet nodig was, is bekend: de man verliet hollend en zwetend menig stadion. Het heeft iets grappigs, iets aandoenlijks zelfs.

Waarom al die haast, waarom al die drukte?

Zeker in zijn nadagen, toen het `Elvis just left the building’ tot een compleet ritueel was uitgegroeid, hoefde hij niet meer bang te zijn voor hysterische taferelen. Niet dat hij ongeliefd was, verre van, maar zijn verhouding met het publiek speelde zich eenvoudigweg af op een veel hoger plan dan dat van idolatrie en door geilheid aangestuurde aanbidding. Vandaar de bijna religieuze toepasselijkheid van het `Elvis just left the building’. Hij was er even geweest en nu weer verdwenen; hij was van een andere orde, na een kort oponthoud tussen zijn stervelingen weer terug in het niemandsland waar sterren van zijn kaliber gedwongen zijn zich op te houden. Het deed er ook niet meer toe wat hij deed. De vele honderden shows die Presley in de laatste jaren van zijn leven afdraaide, waren rituelen van samenkomst, nostalgie en verzoening. Waar het zijn publiek om ging was uitsluitend en alleen met Hem in dezelfde ruimte te mogen verkeren. Hetzelfde fenomeen doet zich voor bij Bob Dylan.

Alleen anders.

Niet zo lang geleden zag ik Dylan voor het eerst met zijn band optreden. Aan het concert was nauwelijks enige publiciteit voorafgegaan: een advertentie in de krant, wat posters in de stad, dat was het. Er waren geen interviews, en er was geen plaat om te promoten. Het was gewoon een concert van Bob Dylan, een van de vele in zijn sinds jaar en dag voortdurende Never Ending Tour, die er speciaal op gericht lijkt door zo veel mogelijk herhaling het publieke bestaan van het fenomeen Dylan langzaam en methodisch uit te wissen. Alsof hijzelf er zodanig mee worstelt dat anderen met hem hun gedachten en emoties willen delen, en dat dan via de omslachtige en uiterst bemiddelde manier van een concert, dat hij geen andere uitweg uit zijn imago ziet dan het voortdurend maar te tonen. Dit is uiterst paradoxaal, heel dylanesk, en het effect is dan ook vervreemdend.

De man is er en hij is er niet. Hij staat daar wel, verderop in het licht, en zijn verschijning wordt omringd door muziek die weliswaar onherkenbaar is, maar onweerlegbaar van hem zodra de eerste noten klinken, maar als zijn stem arriveert, in alle nasale glorie, lijkt het alsof hij even snel weer verdwijnt. Er beweegt nauwelijks iets aan zijn gezicht wat op zingen duidt. Om maar eens iets te noemen.

Hoe harder je kijkt naar zijn dunne, verbeten mond, hoe groter de afstand wordt tussen de mummelende bewegingen en het geluid dat uit de speakers jankt. Daarnaast is er geen show. Er is een oude man in een pimpelroze overhemd op witte schoenen, er zijn vier jongemannen in glimmend blauwe overhemden die hun werk doen, het ziet eruit als het Grote Bob Dylan Showorkest, maar dan in het klein.

Spelen kunnen ze zeker, maar zodra de gebeurtenis enig momentum dreigt te krijgen, breekt Dylan het af met iets slooms, een lied dat dreint en dat hij ook rustig voorbij het punt van aangenaam tilt, als om de betekenis van dreinen nog maar eens extra te laten horen. Er wordt hierbij niet gepraat, niet gelachen, niet geposeerd en niets ondernomen wat ook maar enigszins aan entertainment en showmanship doet denken. Het is een soort celibaat waarin Dylan zich ophoudt. Hij is te zien en te horen, een levende legende, en dat is het.

Meer kan hij niet doen.

Wil hij niet doen.

Elvis Presley ging zijn aanhang voor in een eredienst, Dylan in een moedige poging zichzelf te ontmythologiseren door zijn publieke zelf via zijn songs terug te geven aan zijn publiek. Hij speelt geen rol, zoals Elvis deed, hij plaatst door zijn naam, zijn fysieke aanwezigheid en zijn songs zijn betekenis in het hoofd van de mensen die betaald hebben om bij hem te zijn. Het is aan het publiek te zeggen hoe goed hij is, niet aan hem. Het is in hun hoofden en harten dat zijn muziek zekere geldigheid heeft, niet in de zijne, of misschien ook wel, maar dat doet er niet toe.

Bob Dylan is een kunstenaar die zichzelf heeft gescheiden van zijn imago, bijna letterlijk, in den vleze op het podium, even overrompelend eigenlijk als de groteske lijdensweg van Elvis die aan Elvis ten onder ging.

Het wemelt natuurlijk van de verschillen tussen Dylan en Presley, het zijn onvergelijkbare grootheden, de een een joodse intellectueel, de ander white trash, om maar eens iets te noemen, de een een folksinger, de ander een rock-‘n-rollster, maar het meest in het oog springende is toch wel dat Elvis inderdaad iedere avond `the building’ moest verlaten als hij klaar was en dat Dylan zíjn `building’ niet eens in hoeft om er toch een concert tot een goed einde te brengen. Om daar desondanks bij aanwezig te kunnen zijn, bij dat concert van een afwezige, heeft iets even magisch en sacraals als het ooit moet zijn geweest om The King te kunnen zien. Maar in beide gevallen heeft het nauwelijks meer iets met muziek te maken.

download


Deze content is geplaatst in categorie: Berichten.