De hond van de koning 1

[dropcap]O[/dropcap]p 25 januari 1809 bracht koning Lodewijk Napoleon een bezoek aan de stad Tiel. Het was slecht weer, nat en koud, regen, sneeuw en harde wind. Aan de koninklijke neus hing voortdurend een druppel.

Lodewijk kwam uit Gorinchem waar hij met eigen ogen had vastgesteld hoe het ijs op de Merwede aan het kruien was geslagen. Vanwege de sterke wind drukte het tegen de dijken, en hier en daar waren er gaten gevallen. De Betuwe dreigde onder water te lopen, en met man en macht werd er gewerkt om de ramp te keren. Op zulke momenten hebben de mensen behoefte aan een hart onder de riem, en koninklijk bezoek valt in die categorie, tot op de dag van vandaag, zoals bekend.

Hoe dan ook – de koning hobbelde Tiel binnen. Zijn koets werd getrokken door zes paarden. De stad was niet van te voren op de hoogte gesteld van het hoge bezoek. Er was nauwelijks volk in de straten. Dat kon de koning niets schelen. Hij was het type dat graag onopvallend was. Om niet te zeggen dat hij eigenlijk tegen zijn zin koning was. Had hij een andere broer gehad, dan was hem veel bespaard gebleven. Maar hij had geen andere broer, en hij had het dus zwaar. Neem nu zijn vrouw; hij had geprobeerd van haar te houden, maar het was niet gelukt. En zij hield al helemaal niet van hem. Hij hoefde zijn kont maar te keren, of ze ontving de eerste de beste besnorde gladjanus in haar boudoir. En dat was nog niet alles. Want de koning had ook nog jicht, reumatiek, een brandend gevoel bij het plassen, een zere rug, altijd koude tenen, een lamme voet, maagzuur, en opwellingen van dichterlijkheid en melancholie die niemand begreep. Hij was nog maar negenentwintig jaar oud.

“Sire,” klonk het naast hem in de koets.

Dat was baron Roest van Alkemade, de hofmaarschalk die de koning vandaag vergezelde. Een zuinige man met een fris blozend gezicht en een dikke buik. Hij kende het land en de rivier hier. Zijn familie had bij Werkendam, aan de overkant, grote landerijen.

“Zeg het maar Roest,” bromde Lodewijk afwezig. Hij dacht aan de zestienjarige dochter van de hofmaarschalk, een bloem van een meisje waar hij laatst een gedicht aan had gewijd. Misschien viel hij op jonge meisjes, of zou dat het kruis dat hij droeg alleen nog maar verder verzwaren?

“Sire, wilt u wat eten?”

“Wil ik wat eten? Natuurlijk wil ik wat eten, wat denkt u? We zijn hier niet voor niets.”

(wordt vervolgd)

download


Deze content is geplaatst in categorie: Berichten.