De hond van de koning 3

[dropcap]W[/dropcap]e gaan,” zei de hofmaarschalk die ook overeind kwam en zijn mond depte met een servet, “Zijne Hoogheid wil naar huis.” Hij nam nog snel een teug van zijn wijn en ging het gezelschap voor naar de deur.

Buiten was het nu aan het sneeuwen. Het plein voor de herberg werd door fakkels sprookjesachtig verlicht. De paarden voor de koets waren gewisseld. De koetsier haastte zich naar de bok. Lodewijk wachtte tot de hofmaarschalk zijn koetsdeur had geopend en het opstapje had klaargezet, en liep toen snel de koude wind in. De burgemeester van Tiel volgde hem op de voet. De man had kennelijk iets op zijn lever, maar de koning had er geen zin in. Er was een tijd van komen, een tijd voor onderdanen, een tijd van gaan en een tijd die van hemzelf was. De kolonel van de Huzaren trok de burgemeester aan zijn jas. De andere Huzaren klommen in hun zadels. Sabels kletterden, paarden trappelden vol ongeduld.

Lodewijk stapte in de koets. Er brandde een kleine lantaren die de ruimte schaars verlichtte. De koning nam plaats op zijn bank. De hofmaarschalk maakte aanstalten de deur te sluiten, sterker nog; de deur was al aan het dichtgaan toen plotseling het schelle keffen van een hond klonk die door de deuropening sprong, zo bij de koning op schoot. Deze schrok zich een hoed.

“Wel verduveld!” vloekte baron Roest van Alkemade buiten. “Van wie is dat scharminkel?” Niemand gaf antwoord en daarna klonken bevelen en voetstappen.

De hond was intussen bezig het gezicht van de koning te likken. Het dier rook uit zijn bek, maar Lodewijk liet het zich overkomen. Hij was zo ontroerd dat hij helemaal vergat aan enge ziekten te denken. Het was lang geleden dat een hond hem had gelikt, of een ander levend wezen. Hij legde een hand op de hond. Hij voelde hoe het natte lichaam rilde van de kou. De hond was mager, maar zijn vacht vol en krullend. Ergens tussen de ribben bonsde opgewonden een hart. In het flakkerende licht van de lantaren keken twee bruine ogen hem hartstochtelijk aan. Het ging even door de koning heen dat dit schepsel hem door de voorzienigheid was gezonden, of door God.

Aan de andere kant van de koets vloog de deur open. Het was de kolonel van de Huzaren, met en pistool in de hand. “Sire,” zei hij, “geef het dier een duw, dan pak ik hem.”

Maar Lodewijk gaf hier geen gehoor aan. Hij trok het rillende hondenlijf tegen zich aan. “Laat de hofmaarschalk instijgen,” zei hij met alle gestrengheid die hij in zich had, “de hond gaat mee.” Hij kroelde met zijn vingertoppen over de kop van het beest, en zag de staart van het dier kwispelen.

De kolonel verdween en Roest van Alkemade klom aan boord. Onmiddellijk begon de hond tegen hem te grommen. Lodewijk moest het dier vasthouden, anders had het een uitval gedaan naar de hofmaarschalk die zijn raam opendraaide en zijn hand naar buiten stak om te gebaren dat ze konden vertrekken. De hond drukte zich nog steviger tegen de koning aan.

De koets begon te rollen. De hofmaarschalk sloot zijn raampje. Hij wilde iets zeggen, maar du moment dat hij zijn mond opende, gromde de hond weer.

“Hij mag u niet,” stelde Lodewijk vast. “Je mag hem niet hè?” sprak hij tegen de hond. Het voelde heerlijk om die woorden uit te spreken.

“Sire…” begon de baron.

De hond blafte meteen.

Daarop trok de hofmaarschalk zich terug in zijn zetel, schuin tegenover de koning. Hij vouwde de handen over de dikke buik en sloot de ogen. De koets rolde de stad uit en kwam op een modderige weg te rijden.

Koning Lodewijk wachtte tot hij buiten nergens meer een lichtje zag en begon toen op fluistertoon zijn levensverhaal aan de hond te vertellen. De hond lag heerlijk tegen hem aangeschurkt en verspreidde een warme, dierlijke geur. Af en toe klonk een instemmend geluid, een snokje dat diep uit de hond kwam. Zelden was de koning zo gelukkig geweest – eindelijk had hij een vriend gevonden en hij noemde hem natuurlijk Tiel.

#

download


Deze content is geplaatst in categorie: Berichten.