De knobbel van mijn jeugd

[dropcap]D[/dropcap]e weg is recht, de weg is lang. Dat is hij altijd geweest. Ik ken de weg. Al jaren. Ik ben hier opgegroeid. Zelf ben ik veranderd, mag ik hopen, maar de weg is nog steeds dezelfde weg; recht en lang.

Hoe lang is hij eigenlijk?

Niet eens zo lang, een paar honderd meter maar. Vier, vijfhonderd meter, zoiets. En hij gaat omhoog, de weg, hij klimt de lucht in, tegen een berg op. De berg heet De Knobbel.

Mooie naam voor een berg.

Aan weerszijden van de weg lopen fietspaden. Voorbij die fietspaden liggen struikgewassen en stukken bos. Af en toe kom je langs een pad dat is afgesloten met een hekwerk. Dan zie je in de verte heidevelden liggen, hier en daar een plukje berkenbomen. Het is dat er borden staan die de toegang verbieden, anders zou je willen kijken. Aan weerszijden van de weg is er sprake van militair terrein. De artillerie oefent hier.

De weg is de N 309 tussen ’t Harde en Epe. Mij gaat het om het eerste stuk; het rechte, lange stuk, van de kazernes buiten ’t Harde naar de Knobbel.

Vaak gefietst.

Vaak gereden.

Nu rij ik er weer. Het is niet zo dat mijn jeugd voorbij schiet. Daar zou ik moeite voor moeten doen. Ik rij in een Skodia Octava die gemoedelijk snort. Ik ben geneigd aan een poes te denken, en op de radio hoor ik Simon Vinkenoog reclame maken voor biologische appelbomen, ik doe de radio uit.

Van deze kant is de klim naar de top van de Knobbel een trage, slome klim. De weg glooit omhoog. Al jongen opde fiets onderweg naar school had ik aan deze kant van de heuvel de grootste hekel. Er kwam maar nauwelijks een einde aan. De andere kant was beter; kort en steil. Bovendien: dan had je die lange afdaling.

De auto klimt omhoog.

Hoelang ben ik hier niet geweest? Ik weet het niet. Aan de linkerkant van de weg staat nog altijd hetzelfde huis als altijd – halverwege. Vroeger hadden ze daar honden die woest blaften als je over het fietspad naar beneden zoefde. Nu hoor ik niets, behalve het snorren van de motor – en weer denk ik aan de poes die van huis is weggelopen. Kan ze hier zijn?

Ze kan overal zijn.

Bijna boven zie ik in de achteruitkijkspiegel het landschap liggen. De lucht is blauw en winters. De radartorens van de kazerne, de hoge kraanwagens van het bedrijf langs de snelweg, rond kerst opgetuigd met lichtjes en bomen, de oude torens van Elburg aan het voormalige Ijselmeer, het nevelige, stille land ertussen: het is allemaal te zien, en wie het kent, zoals ik, hoeft er niet lang naar te kijken. Dan weet je hoe het is, en is het geruststellend.

Als Nederland zelf.

Bovenop de Knobbel slaan we rechtsaf, de auto en ik. Hier ligt het Protestants Militair Tehuis, een kruising van een feestzaal en een snackbar waar ’s avonds soldaten met heimwee bier drinken en klaverjassen en waar overdag niets te doen is – behalve dat je er kan uitkijken over de hei, de Doornspijker hei om precies te zijn – op een dag als deze een verstild landschap, met rijp op de heide, hier en daar kale bomen en in de verte Nunspeet.

Ik zet de auto aan de rand van het parkeerterrein en stap uit. De stilte is groots. Ik wist het wel, dat hier iets was. Ik wist het al jaren, maar ik had er nooit eerder behoefte aan.

download