De Kunst van het Wachten

[dropcap]W[/dropcap]e moesten weer wachten. In de gezondheidszorg is wachten het talent dat telt. Je moet er eigenlijk een Zen-moment van maken. De meeste mensen kunnen het. Ze berusten in hun lot. Ik zit daarentegen altijd te stuiteren van woede. Een boek of krant kan ik niet lezen, laat staan dat ik tot contemplatie in staat ben. Ik zou het best willen, daar niet van, maar het lukt me gewoon niet. Wachten is een straf.

Maar goed.

We zaten op een modern stoeltje in een vrij krappe wachtruimte met in de hoek een vingerplant. De meeste wachtenden hadden iets te doen. Ze bladerden in een gratis krantje, een jonge vrouw las een boek, een man die eruit zag als een taxichauffeur dommelde in een hoekje, een stel zat hand in hand; af en toe lieten de handen elkaar los en werd er gestreeld.

Toen arriveerde mevrouw Oosterhuis.

Zij zat in een rolstoel en werd voortgeduwd door een broeder. “Zo, we zijn er,” riep hij, terwijl hij zich over de geplastificeerde kaart boog die de oude dame om de hals had droeg. ‘We zijn er mevrouw Oosterhuis,” herhaalde hij hard, “hier moet u wachten, dan komen ze u straks halen.”

“Wachten?” riep mevrouw Oosterveen.

“Ja mevrouw Oosterhuis,” retourneerde de broeder, en zijn olijke blik scheerde langs de overige wachtenden. Hij vond zichzelf grappig. “We moeten allemaal wachten.”

“Wie komt me halen dan?” klonk het vanuit de rolstoel.
“De zuster van de bestraling, mevrouw, en die gaat u alles helemaal uitleggen. Nou, dan ga ik nu maar hè? Als u klaar bent, kom ik u halen en naar de taxi brengen. Goed? Snapt u het?”

De oude dame knikte.

“Nou daaag! Sterkte!”

En weg was de broeder.

Mevrouw Oosterhuis had zich duidelijk goed voorbereid op haar bezoek aan het ziekenhuis. Haar grijze haar zat onberispelijk, er hing een blauwe glans overheen. Ook droeg ze nette schoenen, een keurige jurk en een korte bontjas. Aan een gouden ketting hing een bril die op haar machtige boezem heen en weer deinde. In beide oren had ze een gehoorapparaat. Haar tas had ze op schoot. Ze keek de overige wachten één voor één nieuwsgierig en vriendelijk aan. Sommigen knikten haar even toe, anderen niet. Een extra wachtende erbij, concurrrentie, straks was ze nog eerder aan de beurt dan zij.

En inderdaad.

“Mevrouw Oosterhuis!” klonk even later een montere verpleegstersstem.

De oude dame herkende haar naam en probeerde met haar rolstoel te manoevreren. Daartoe was de wachtruimte te klein, en mevrouw te onhandig, temeer daar ze met één hand haar tas stevig tegen zich aangedrukt moest houden.

Daar was de zuster al.

“U bent mevrouw Oosterhuis?!?” riep ze. Ze boog zich naar de geplastificeerde kaart die mevrouw droeg. “Ja. Kom, dan neem ik u mee,” vervolgde ze.

“Waarheen?” vroeg mevrouw Oosterhuis benauwd.

“We gaan u bestralen mevrouw, dat weet u toch? Maar ik ga het allemaal uitleggen hoor.” Ze droeg blauwe Crocs, de verpleegster, met korte witte sokken. Ze had wel meer mevrouwen Ooosterhuis onder handen gehad, en ook ergere gevallen. Een zuster die haar ervaring op haar gezicht droeg. Onverstoorbaar, altijd vriendelijk, altijd een glimlach. “Daar gaan we,” zei ze enthousiast en ze reed mevrouw Oosterhuis de wachtruimte uit.

‘Daar zitten we dan,” zei na enige tijd een van de overgebleven wachtenden. “Soms denk ik wel eens dat ik hier gisteren al begon met wachten en dat ik hier morgen nog steeds zit.” Hij schoof zenuwachtig op zijn stoel heen en weer als om te controleren of hij al wortel had geschoten. Dat bleek niet het geval, al zou het natuurlijk mooi zijn geweest.


Deze content is geplaatst in categorie: Berichten.