De tweede boom van de hoek

772c5142-307a-405f-91ad-75302186fd3b

[dropcap]D[/dropcap]ezer dagen denk ik vaak aan E.B. White, schrijver van beroemde kinderboeken als “Charlotte’s Web” en “Stuart Little” en columnist van The New Yorker, het weekblad waar hij vanaf het begin in 1925 bij betrokken was.

White’s verdienste voor The New Yorker is groot geweest. Hij was de man die via de hoofdredaktionele commentaren decennialang de toon van het blad zette: ironisch, een tikje poetisch, afstandelijk en precies. Daarnaast schreef hij verhalen, miniaturen, reportages, essays, gedichten en autobiografische schetsen. Zijn beste werk is te vinden in drie boeken: “One Man’s Meat”, “Essays of E.B.White” en “Writings from The New Yorker 1927 – 1976”. Samen met “Here is New York”, White’s elegante ode aan de stad waar hij zo van hield, maar waar hij toch het liefst niet wilde zijn (hij woonde het grootste deel van zijn leven op een boerderij in Maine), zijn die boeken nog volop leverbaar; vorig jaar verschenen ze allemaal in nieuwe edities.

“The Second Tree From The Corner” is een boek dat E.B.White in 1954 publiceerde en dat alleen nog antiquarisch verkrijgbaar is. Een paar maanden geleden bestelde ik het bij alibris.com, een firma die via het internet werkt en die garandeert ieder boek te kunnen leveren. Het kan even duren, en het kan wat kosten, maar dan heb je ook wat. Vorige week was het zover en landde een eerste druk met stofomslag en geen enkele beschadiging. Mij ging het vooral om het titelverhaal van het boek.

In “The Second Tree From The Corner” treffen we een personage dat Meneer Trexler heet. Het is een man die van zijn schepper zo min mogelijk eigenschappen heeft meegekregen. Hij is gewoon, op het laconieke af. Toch loopt hij bij een psychiater. Het verhaal begint zo “”Ever have any bizarre thoughts?” asked the doctor.” Meteen is meneer Trexler van slag. Als hij “ja” zegt, zal de dokter hem ongetwijfeld vragen naar de inhoud van die gedachten en “what kind of thoughts except bizarre had he had since the age of two?” En dus zegt hij “nee”.

De psychiater lurkt aan zijn pijp.

Meneer Trexler vestigt zijn blik op een standaardwerk over urologie dat achter de dokter in de kast staat. Hij zucht, en de dokter zucht ook. Tien minuten later is de sessie voorbij en nemen de heren afscheid. De psychiater zegt dat meneer Trexler niets mankeert. Hij is alleen maar bang, verder niets. De psychiater heeft dat afgeleid uit het feit dat meneer Trexler gedurende het bezoek zijn stoel steeds verder achteruit heeft geschoven. Hij deinsde als het ware terug voor de vragen van de dokter. Verward, en bang, verlaat de patient de psychiater.

In de weken die volgen gaat meneer Trexler zich steeds meer met de dokter vereenzelvigen. De sessies van meneer Texler zijn aan het einde van een middag en iedere keer als hij komt, is hij meer in de dokter geinteresseerd. Hij raakt aan hem gehecht zelfs, en vindt hem een patient met niet al te lastige klachten. Dan vraagt op een dag de dokter de hamvraag: “What do you want?”

Meneer Trexler antwoordt, ongemakkelijk, dat hij dat niet weet. “I guess nobody knows the answer to that,” voegt hij er aan toe.

“Zeker wel,” zegt de dokter onmiddellijk.

“Weet u wat u wilt dan?” vraagt meneer Texler onmiddellijk. Het ontgaat hem niet dat de psychiater met stoel en al wat van hem wegschuift. Een angsthaas dus, concludeert hij – en hij bijt zich in de dokter vast. “Wat wilt u?”

“Ik wil een vleugel aan mijn huis bouwen. Ik wil meer geld en ik wil meer vrije tijd om leuke dingen te doen.”

Even staat meneer Trexler op het punt te vragen wat die leuke dingen dan zijn, maar dan vermant hij zich. Hij heeft de dokter al voldoende in de hoek gedreven. Een extra vleugel aan zijn huis, wat een giller! Kort daarop komt aan de sessie een einde en loopt meneer Texler weer op straat. De zon werpt nog wat laatste licht tegen de hoogste verdiepingen van de gebouwen om hem heen.

Hij vraagt zich af wat hij wil. Af en toe hoort hij de stem van de dokter weer: “What do you want?” Meneer Trexler weet wat hij wil, en hij weet wat iedereen wil en hij is blij dat het onzegbaar is, dat er geen woorden voor zijn, en dat het onbereikbaar is en dat het geen nieuwe vleugel aan een huis is. Hij is tevreden met de wetenschap dat het diep en vormeloos is, beklijvend en onmogelijk te vervullen en dat mensen er heel ziek van kunnen worden.

Lopend langs de derde Avenue kijkt hij soms een kroeg binnen en ziet hij tussen de donkere schimmen aan de bar iemand zitten die nog niet vergeten is wat hij wil en die diep in zijn glas staart, alsof het op de bodem ligt. Meneer Trexler voelt zich als nieuw nu hij weer weet dat het microscopisch klein en tegelijk onvoorstelbaar groot is wat hij wil en dat het verband houdt met grote, historische daden en jeugdliefdes en oude liedjes en de vroegste, kleinste ervaringen. Het is niet te benoemen wat het is en wie het toch probeert, in de stilte van de spreekkamer van een psychiater, gaat plat op zijn bek. Aldus komt meneer Trexler bij een kleine, jonge boom: “rising between him and the light, saturated with the evening, each leaf perfectly drunk with excellence and delicacy.” Er trekt een rilling langs meneer Trexlers ruggegraat “as it picked up this natural disturbance in the lovely scene.”

En dan weet hij het.

Hij wil de tweede boom van de hoek. Hij is er trots op ook, dat hij iets wil dat niemand hem kan geven en dat niemand het hem af kan nemen. Hij is ineens tevreden met zijn klachten en hij schaamt zich niet voor zijn angst; “and in the jungle of his fear he glimpsed (as he had so often glimpsed them before) the flashy tail feathers of the bird courage.” Hij begint een liedje te neurieën, meneer Trexler, en wandelt naar zijn bushalte. Pas een half uur later, in de bus, heeft hij weer een bizarre gedachte.

E.B.White schreef “The Second Tree From The Corner” in 1947. Dat was een slecht jaar voor hem. Hij had gedurende de oorlogsjaren hard gewerkt voor The New Yorker, op aandringen van hoofdredakteur Harold Ross die veel van zijn redakteuren in het leger had zien verdwijnen. Aan het einde van de rit was White er eindelijk in geslaagd Ross ervan te overtuigen dat zijn bijdragen aan The New Yorker ondertekend moesten worden (tot dan schreef White zijn commentaren anoniem en in het majesteitelijke meervoud) en kreeg hij een eigen rubriek die Turtle Bay Diary heette, naar het deel van Manhattan waar hij woonde en waar de Verenigde Naties hun hoofdkwartier hadden (in die instelling geloofde White hartstochtelijk), maar die hij na twee afleveringen al niet meer aan kon. Hij worstelde met onzekerheid, schrijfangst en depressies. Hij wist niet of hij in de stad moest wonen, of op het platteland. Hij was bang voor het succes dat “Stuart Little” oogste; in 1946 waren er 100.000 exemplaren van verkocht; hij was, kortom, de draad kwijt en besloot een psychiater te consulteren. Uit die visites groeide “The Second Tree From The Corner”. Later dat jaar zou hij “Death Of A Pig” schrijven, het relaas van een zieke man die soelaas vindt bij het sterfbed van een varken.

“The Second Tree” is een verhaal dat mij niet loslaat. Het is tot de laatste alineas vrij vlak en niet erg grappig, maar het heeft een einde dat ik adembenemend vindt. White’s poging onder woorden te brengen wat meneer Trexler wil van het leven is zo lyrisch en zo vurig, de zinnen krijgen ineens vleugels, bevrijd als meneer Trexler is, dat het wel lijkt alsof de taal zelf het antwoord is op de vraag “What do you want?”

White’s antwoord lijkt te zijn: “woorden.” De mogelijkheid te kunnen uitdrukken, te kunnen vertellen, tot nadenken te kunnen dwingen. Dat het uiteindelijk niets is wat meneer Trexler wil, stemt dus niet somber, maar hoopvol. “Wie niets wil, heeft alles,” zei Franciscus van Assisi al. In deze tijd, waarin iedereen zoveel wil en zo vreselijk veel wil hebben, is “The Second Tree From The Corner” en al het overige werk van E. B. White een klein, maar helder tegengeluid, een wonder van stoicijnse elegantie en koppige beschaving.

download