Denken aan Capote

[dropcap]Z[/dropcap]oals je naar sommige plekken altijd terugkeert, zo herlees je ook voortdurend dezelfde schrijvers. Om de zoveel tijd kom ik daarom terug bij Truman Capote, en vooral bij Music For Chameleons en The Dogs Bark, twee verzamelbundels met nonfiktie; interviews, portretten en reportages

Truman Capote begon zijn carriere als wonderkind. Op zeventienjarige leeftijd werkte hij al voor The New Yorker, twee jaar later publiceerde hij in Harper’s Bazaar en andere tijdschrijften. In 1948 verscheen zijn eerste roman, Other Voices, Other Rooms, in 1950 zijn klassieker Breakfast At Tiffany’s. Hij was toen zesentwintig, de lieveling van de New Yorkse upperclass.

Zijn grote doorbraak kwam in 1966 met In Cold Blood, een nonfictie roman over een wrede moordpartij in Kansas. Daarna ging het snel bergafwaarts met de schrijver, hoewel hij steeds beroemder werd. Desondanks bleef het zijn ambitie zo eenvoudig mogelijk te schrijven. “Most writers, even the best, overwrite,” luidt een van zijn bekendste uitspraken, “I prefer to underwrite. Simple, clear as a country creek.” Het zal die hang naar eenvoud zijn die mij met enige regelmaat bij Capote terugbrengt.

Capote is inmiddels 22 jaar dood, maar zijn leven is recentelijk verfilmd en kort geleden verscheen van hem ook nog een nieuw boek, Summer Crossing: zijn verloren gewaande, en door hem zelf voor publicatie afgekeurde eersteling. “It seemed to me thin, clever, unfelt,” noteerde hij in The Dogs Bark over deze broeierige novelle die het verhaal vertelt van een 17-jarig meisje, Grady, dat een zomerlang op het New Yorkse appartement van haar steenrijke ouders past, en passant verliefd wordend op een soort Marlon Brando-achtige parkeerplaatsbeheerder, met dramatische gevolgen.

Hoewel Capote gelijk had met zijn zelfkritiek, is het toch een zeer interessant boek. Het is niet alleen een duidelijke voorbode van Breakfast At Tiffany’s, het bevat ook een paar passages die werkelijk verbluffend zijn, en helemaal als je bedenkt dat ze door een negentien-jarige zijn geschreven. Deze bijvoorbeeld: “Most of life is so dull it is not worth discussing, and it is dull at all ages. When we change our brand of cigarette, move to a new neighborhood, subscribe to a different newspaper, fall in and out of love, we are protesting in ways both frivolous and deep against the not to be diluted dullness of day-to-day-living.”

Enfin.

Ik moest hieraan denken toen ik in het Amsterdamse fotografiemuseum Foam een tentoonstelling van de Franse fotograaf Cartier Bresson bezocht. Een van de eerste foto’s die me daar trof was een portret van Truman Capote, gemaakt in 1947, in New Orleans, Louisiana (waar Capote vandaan kwam). Op de foto zien we een jonge, duidelijk gespannen jongen, een kind nog, eigenlijk, die met wallen onder de ogen recht in de lens kijkt. Hij draagt een wit, slordig T-shirt en zit op een bankje, temidden van grote, subtropische planten. Het korte, blonde haar zit slordig.

capote-henri-cartier-bresson

Het is moeilijk te zeggen wat de foto zo intrigerend maakt – zou hij hier ook gehangen hebben als de afgebeelde jongen géén beroemde schrijver was geworden? Ik denk het wel.

Want het zit hem in de blik van Capote: zijn donkere ogen spuwen een soort brutaal vuur. Maar tegelijkertijd staan ze ook treurig, wijs en gelaten. Een jongen die al veel heeft gemaakt, een getekend kind – zoiets moet Cartier Bresson in Truman hebben gezien, een gebroken engel, een jongen door demonen bezeten, gedoemd.

download


Deze content is geplaatst in categorie: Berichten.