Denken aan Nederland

[dropcap]A[/dropcap]ls ik denk aan Nederland, waar denk ik dan aan? Niet aan Avond van Boudewijn de Groot, niet aan Geert Wilders en zijn website waar we Geert Wilders-pennen, Geert Wilders-petten en Geert Wilders-koffiemokken kunnen bestellen. Niet aan Amsterdam met z’n Wallen, z’n toeristen, z’n coffeeshops en belabberde Stedelijk Museum. Niet aan die vader in Middelburg die zijn eigen kinderen vermoord, en dan zichzelf verhangt, niet aan de Dikkevandam, die culinaire bestseller die nergens verkrijgbaar is.

Als ik denk aan Nederland, waar denk ik dan aan? Niet aan Gerrit Zalm die vindt dat het wel mee valt met de armoede, niet aan Jan Peter wiens kapsel is veranderd, niet aan Boris Dittrich die iedere ochtend monter door het Vondelpark huppelt, niet aan Rembrandt wiens jaar het dit jaar is. Niet aan de vellen op warme chocolademelk, niet aan het haardhout in van die oranje netjes bij het benzinestation, niet aan Katja Schuurman. Niet aan de knie van de koningin en niet aan de koude graven van alle geliefden die dood zijn.

Als ik denk aan Nederland, waar denk ik dan aan? Niet aan de snelwegen die verstopt zitten, niet aan massa’s Unox-mutsen, niet aan Talpa en niet aan Jack Spijkerman. Niet aan de wekelijkse reclame van de Aldi en niet aan de aanbiedingen van de Edah, de Boni, de Lidl en Dirk van der Broek. Niet aan het nieuwe zorgstelsel en niet aan Samir A. die bloed heeft in zijn ontlasting. Niet aan het KNMI en niet aan de Spoorwegen die bij het minste geringste een negatief reisadvies uitvaardigen. Niet aan Volendam, en niet aan het intieme scheren dat een hoge vlucht heeft genomen. Niet aan de doden die vallen na een avondje stappen, en niet aan de miljoenen die oudejaarsavond de lucht in gingen.

Als ik denk aan Nederland, waar denk ik dan aan? Heel misschien hieraan: een boer die leunend op zijn schop een lange stoet fietsende scholieren nakijkt; tassen onder de snelbinders, beugels op de sturen gemonteerd om het voorover leunen te vergemakkelijken, flakkerende achterlichten. Het is nog vroeg en donker, er staat een gure, strakke wind. De boer voelt zijn ogen tranen. Als de jeugd uit het zicht is verdwenen, komt er er altijd nog een laatkomer, weet hij uit ervaring: die ene jongen die zich heeft verslapen en op wie de anderen niet hebben gewacht. Kijk, daar komt hij al, boos draaien zijn voeten de trappers rond. Als ook deze eenzame fietser is verdwenen, sloft de boer naar huis – in de stal loeien de koeien, in de keuken wacht de boerin met koffie. Bij de deur doet de boer zijn klompen uit.

Als ik denk aan Nederland, waar denk ik dan aan? Aan het platteland, zo te zien, al weet ik drommels goed dat het nauwelijks meer bestaat, behalve in mijn hoofd – daar zwelt het langzaam aan tot een lied van heimwee en verlangen. Een schitterend eerste couplet zou kunnen gaan over de maandag – de was die buiten hangt, lakens en handdoeken, onderbroeken op grootte van links naar rechts. In het tweede couplet hurkt een vrouw neer in haar moestuin om twee stronken boerenkool uit de koude grond te trekken, op de achtergrond een schaap dat meewarig toekijkt. Als ik denk aan Nederland, denk ik aan dat lied in mijn hoofd, en daarom denk ik niet zo vaak aan Nederland, want ik denk liever aan morgen.

Gelukkig nieuwjaar.

download


Deze content is geplaatst in categorie: Berichten.