Een dood nummer

[dropcap]V[/dropcap]orig jaar juni overleed Kees Fens. Hij was oud en voelde zich al een tijd niet goed meer. Ik herinner me van hem een ontroerend stukje over Parijs; hoe hij vanuit zijn hotelkamer de gouden koepel van de Dome des Invalides kon zien. En ik geloof ook de Eiffeltoren. Meer uitzicht had een man niet nodig.

Ik denk vaak aan Kees Fens, en dat komt omdat zijn naam nog steeds in het telefoonboek van mijn mobiele telefoon staat. Wanneer wis je het nummer van een dode? En wat gebeurt er als je het draait? Het zijn misschien morbide vragen, maar ze kunnen je wel bezig houden.

Op de kist van Theo van Gogh lagen tijdens de uitvaart zijn agenda en zijn telefoon. Maar die telefoon is niet mee het vuur in gegaan, want als je weken later het nummer draaide, kreeg je Gijs van der Westelaken aan de lijn. Wat Gijs daar nou precies de grap van vond, weet ik niet.

Ongetwijfeld zijn er mensen die zich met hun telefoon in de zak laten begraven, en reken maar dat er dan ook nabestaanden zijn die het nummer af en toe draaien. Gaat een telefoon af onder de grond? Heb je daar bereik? Het zou me niets verbazen. Er is geen ontsnappen mogelijk aan de moderne communicatie.

Enfin.

Het nummer van Kees Fens heb ik dus nog steeds in mijn telefoon staan, en regelmatig scrol ik langs zijn naam, op zoek naar een ander nummer van iemand anders. Iedere keer neem ik me dan voor Kees te wissen, maar om de een of andere reden kom ik er niet toe. Dat moet met eerbied te maken hebben.

Ik vond Kees, mijnheer Fens zou ik eigenlijk liever willen zeggen, een bijzonder intelligente, geestige en goed geinformeerde man. Af en toe ging ik bij hem langs op de Keizersgracht en aten we gebakjes. Ik trof hem ook wel eens voor de etalage van een winkel bij hem om de hoek die in tweedehands horloges doet, Rolexen en Cartiers. Mijnheer Fens kon daar heel rustig en deskundig naar kijken. Hij droeg een onberispelijke, cremekleurige regenjas en een bijpassende Borsalino. Een echte heer, en op het eerste gezicht beslist geen letterkundige.

Vlak voor zijn dood verscheen een erg mooi boek van Kees Fens: Het geluk van de brug. Het was een verzameling min of meer autobiografische stukken die hij tussen 2002 en 2007 voor het Maandblad van het genootschap Amstelodamum schreef. Ik ken dat genootschap niet en de naam klinkt bepaald gewichtig, dit in tegenstelling tot de verhalen van Fens die lichtvoetig, melancholiek en zeer geestig zijn. Daarnaast moet Fens een geweldig geheugen hebben gehad; zijn oude buurt in West komt zo ontzettend tot leven in zijn verhalen dat ik er zomaar zou willen wonen.

Ter gelegenheid van de jaarwisseling 2008/2009 verscheen onlangs bij uitgeverij Atheneaum-Polak en Van Gennep een boekje met nog een aantal autobiografische teksten van Fens. Nabij heet het, een wat plechtstatige titel die toch wel weer goed bij Fens past. Het boekje is niet in de reguliere handel verkrijgbaar en dat is jammer, want het bevat een aantal hartverscheurende verhalen, over vader Fens die al vroeg aan TBC stierf, over moeder Fens die haar hele leven sappelde, over katholiek Amsterdam en Fens’ eerste schreden in de letterkunde. Je zou het de aanzet tot een autobiografie kunnen noemen.

Er ligt nu op mijn bureau een nieuwe telefoon die binnenkort mijn oude Ericsson gaat vervangen. Er zal zich dan een perfect moment voordoen om het telefoonboek bij te werken. Maar ik weet nu al ik dat ik het nummer van Kees Fens zal laten voortleven.


Deze content is geplaatst in categorie: Berichten.