Een onbekende in Parijs

[dropcap]H[/dropcap]et is koud. De mensen blazen in hun handen, stampen op de grond om hun voeten warm te houden. De lucht is grijs, heel lichtgrijs, bijna wit. Wie nIet naar buiten hoeft, blijft binnen.

Dat neemt niet weg dat het toch druk is op straat. In Parijs is het altijd wel druk, zekere op de grote boulevards. De mensen gaan naar huis, naar hun werk, ze doen boodschappen, ze haasten zich van het ene punt naar het andere; een afspraak bij de kapper, een afspraak met een vriendin om thee te drinken, een leuke uitverkoop ergens. Ineens zie je dan een bekend gezicht in de massa.

Het gezicht valt verder niemand op. Het is een gewoon, gemiddeld gezicht van een gewone, gemiddelde man die duidelijk een doel heeft. Hij stapt in ieder geval vrij beslist voorwaarts. Je vraagt je af of je hem zult aanspreken. Hij kom je kant op. Je heb alle gelegenheid je achter je krant te verschuilen.

Daar komt hij.

Het lijkt alsof julliie ogen elkaar even treffen, maar het kan verbeelding zijn. De ander laat in ieder geval niet blijken dat hij je kent. Onbewogen vervolgt hij zijn weg. Je hebt niet eens achter je Herald Tribune hoeven weg te duiken. Dat klopt natuurlijk niet. Hoe kon de ander jou niet herkennen, terwijl jij hem af op tientallen meters herkende? Je gooit wat geld op je tafeltje, trekt je jas aan en loopt het cafe uit. Buiten zie je nog net het grijze hoofd van de bekende een hoek omslaan.

Je haast je.

Zo zinloos als het is, zo vastbesloten ben je ineens om de man in te halen. Het is iemand die je van vroeger kent. Jarenlang trokken jullie samen op. En nu zou hij je zonder blikken of blozen voorbij lopen? Dat is onbestaanbaar. Het is kwetsend. Je herkent het gevoel, bijna kinderlijk in zijn duidelijkheid. Je voelt je afgewezen.

De man gedraagt zich inmiddels alsof hij weet dat iemand hem volgt. Hij draagt een lange, grijze jas en zwarte, leren handschoenen. Zijn haar is dik en golvend. Ooit was het zwart, maar nu is het grotendeels het grijs. Maar het model is hetzelfde gebleven. Hij slaat een hoek om, en je bent maar net op tijd of je had hem de volgende hoek niet zien omslaan; dan was je hem kwijt geweest. In een stad als Parijs kun je iemand voor altijd verliezen. Maar je kunt er ook ineens oog in oog met verloren gewaande geliefden staan. Zo’n stad is het.

Je zet door.

Het lijkt wel alsof de man je vastbeslotenheid voelt, want ook hij gaat sneller lopen. Hij kijkt niet om, overigens. Je hebt hem geen enkele keer over zijn schouder zien kijken. Je vraagt je inmiddels af wat je hem gaat zeggen als je zometeen op gelijke hoogte komt. Maak je een achteloze opmerking, of refereer je onmiddellijk aan iets dat jullie ooit samen hebben uitgevroten. “Weet je nog…”

In de verte nadert de Pont Neuf. Bij de kou voegt zich nu de snijdende wind die over de Seine waait. Je bent je bewust van de geschiedenis om je heen, maar vooral van het donkerbruine water beneden je. De man voor je zie je even over de reling kijken, en je kijkt zelf ook. Soms is dat de oplossing. Samen hetzelfde zien. Maar deze keer niet. De man vervolgt zijn weg en even later is hij toch ineens zomaar verdwenen, haastig de trappen van een metrostation af gegaan. Je blaast in je handen tegen de kou.


Deze content is geplaatst in categorie: Berichten.