Een plek onder de zon (2)

[dropcap]I[/dropcap]k was in Steenwijk. Het was op een maandag, de middag liep ten einde. Ik kwam het stadje binnen via de Tukseweg. Tuk lag dus achter me. En niet alleen Tuk, waar ik trouwens niet eens doorheen was gekomen, maar ook Witte Paarden. Daar was ik wel geweest. Nauwelijks een dorp te noemen, maar wat een naam.

Nee, dan Tuk.

Een jeugd lang lol van gehad, van Tuk. De familie Bril ging vroeger vanuit Gelderland vaak op bezoek bij ooms en tantes in Friesland, en als iets voorbij Staphorst de grote weg ophield en je kwam in de buurt van Steenwijk, dan was er ineens een bord dat naar Tuk wees.

Dat woord kon je omdraaien.

Gaf grote commotie in de auto.

Nog steeds zie ik dat bord voor me. Het stond op een kruispunt en het wees naar links waar een hoge watertoren stond. Wij moesten rechtsaf. Langs Drentse Hoofdvaart ging de route naar Havelte, en vandaar binnendoor via Frederiksoord naar Friesland.

Goed, dat was vroeger.

Terug naar nu: aan het einde van de Tukseweg ligt het centrum van Steenwijk. Na enig zoeken kwam ik op de Markt, een klein plein waar een brasserie aan was gevestigd. Ik dronk er koffie en las de Steenwijker Courant. Er speelde weinig in Steenwijk. Buiten werd het snel donker en de mensen op straat kregen die haastige tred van mensen die huiswaarts gaan. Ik werd er niet vrolijk van, en ik was ook niet onderweg naar huis. Home is where the heart is, zeggen ze wel eens, en ik hou het me zelf regelmatig voor, maar het hart lag niet hier.

Jammer.

Even later reed ik Steenwijk weer uit. De radio stond op radio 1. De wereld stond in brand, gelazer in het Midden-Oosten, een dubbele moord in Rotterdam, het kabinet in zwaar weer. Bij een groot Chinees restaurant moest ik linksaf. Iets verderop ging net de spoorwegovergang dicht. Knipperlichten, feestelijk gerinkel. Het station lag aan mijn linkerhand. Er stond een Intercity langs het perron. Een lange stoet fietsende scholieren kwam naast me tot stilstand: tassen onder de snelbinders, beugels op het stuur gemonteerd, om lekker makkelijk voorover te kunnen leunen. Vermoeide koppies, praatjes voor tien, van alle tijden.

Ineens viel mijn radio uit, dat wil zeggen: radio 1 werd verdrongen door een keiharde mannenstem met een zwaar Drents accent. Hij sprak namens Radio Philadelphia en ging een paar platen draaien voor zijn vrienden van vervoersbedrijf Van den Akker uit Beilen.

Terwijl de spoorbomen weer omhoog gingen, en de scholieren begonnen te fietsen, zong Henk Wijngaard over zijn vlammende pijp en de Brennerpas. Ik probeerde radio 1 weer te pakken te krijgen, maar vergeefs. Een aanzienlijke heimwee maakte zich van mij meester.

Wat deed ik hier?

Maar ik kon mij ook in Henk Wijngaard en zijn dertig tonnen diesel verplaatsen. Met de caravan over de Alpen – kamperen in Italie, gesmolten boter in een groen en rood blik, macaroni langs de weg – moeder kookt, vader maakt zich zorgen om de bergen in de verte. Kan de Opel het aan? Van die dingen, ach ja, je jeugd.

De weg voerde naar Frederiksoord, waar ik me een goed restaurant herinnerde. Ik kwam langs gehuchten als De Bult, Eesveen en Nijensleek. Overal in het pikkedonker stonden huizen met warm verlichte huiskamers en keukens. Af en toe zag ik een huisvrouw over een gootsteen gebogen staan. De ontvangst van Radio Philadelphia werd eerder beter dan slechter, wat als voordeel had dat ik Sien van Toon Hermans weer eens hoorde. Wat een prachtig liedje toch. Sien laat eens zien, Sien, laat eens zien, Sien, laat eens zien hoe mooi bent.

En dan die vreemde, verliefde, bijna geile kalversprongen: Die plattelandse, moet je ze zien dansen, dan zwaait ze driftig met haar rooie lokken. Ze heeft dat warme, een tikkie Carmen, en ook d’r heupen hebben dat barokke. Ze heeft dat robuuste, dat zelfbewuuste, enzovoorts. Ja, voor Sien zou ik zo naar Steenwijk rijden, desnoods naar Philadelphia.

In Frederiksoord trof ik mijn reisdoel gesloten, maar in een zijkamer bij de ingang van de zaak brandde licht. Ik keek door het raam naar binnen. In de vensterbank stonden vingerplanten. Vier mannen zaten rond een tafel te kaarten. Ze rookten sigaren en dronken jenever uit kelkjes. Op tafel lag een Perzisch tapijtje. Naast de asbak stond een peper en zout-stel met een flesje Maggi. In een hoek van de kamer zag ik een ouderwets radiomeubel, ongetwijfeld afgestemd op Radio Philadelphia. Zacht hoorde ik Rene Froger zingen: Een eigen huis, een plek onder de zon, en altijd iemand in de buurt die van je houden kon. Of was het mijn verbeelding?

Een hond blafte.

Een van de mannen keek op van zijn kaarten. Zag hij mij? Ik maakte me uit de voeten. Een plek onder de zon, en altijd iemand in de buurt die van je houden kon – het was duidelijk waar ik heen moest. Naar huis, terug naar Steenwijk, en daar de snelweg op. Meppel, Zwolle, Harderwijk, Amersfoort, Hilversum en dan was ik er, thuis.

UIT: “EEN PLEK ONDER DE ZON, MUZIEKVERHALEN” (VERSCHIJNT BINNENKORT)

download


Deze content is geplaatst in categorie: Berichten.