Een rondje stad

[dropcap]I[/dropcap]k liep door Kalverstraat. De herfstzon scheen recht in mijn ogen. Het was koud. Bij in de ingang van de Xenos stond een man met de handen in de zakken van zijn winterjack. Eén stap vooruit en hij zou in de zon staan. Maar hij verkoos de schaduw. Hij stond erbij zoals een man erbij staat die op zijn vrouw wacht – zij was binnen in de Xenos. Onze blikken raakten elkaar even, en hij glimlachte.

Ik ook, en waarom niet.

Daarna was ik hem voorbij en stond ik bij de Munttoren. In de vensterbank van een brillenwinkel zaten twee meiden een broodje te eten. De zon zette het tafereel in een schel licht. Het waren van huis meegebrachte broodjes die ze aten, gewone boterhammen.

Het ene meisje at een dubbele boterham met kaas, het andere meisje een dubbele met onduidelijk beleg. Ze nam een grote hap en aan de andere kant van de sandwich viel van alles naar beneden: een slablaadje, een stukje tomaat met mayonaise, nog iets, augurk? Omdat ze wijdbeens zat, viel het gewoon op de grond. “Jezus Suus, je maakt er weer een bende van,” zei haar vriendin.

“Het valt er uit,” zei Suus met volle mond. Met haar voet schoof ze het verloren beleg aan de kant. Nu maakte het deel van de smergheid die altijd op straat rondslingert. Nog geen dertig seconden later had een passant het slablaadje aan zijn schoen hangen.

“Lekker?” vroeg de vriendin aan Suus.

Suus knikte. Ze was driftig aan het kauwen.

Haar vriendin nam een hap van haar kaasboterham. Het was een kleine, nette hap die ze keurig ging verwerken. Ze kauwde rustig, met haar ogen open. Suus daarentegen had haar ogen dicht en niet in de gaten dat haar vriendin haar kritisch bekeek. “Ik moet een nieuwe winterjas hebben,” zei Suus zonder haar ogen open te doen.

“H&M,” zei de vriendin.

Suus nam een nieuwe hap van haar dubbel boterham. Deze keer viel er niets op de grond. “Iedereen heeft een jas van H&M,” zei ze.

“Joh? Ik niet hoor.”

Ik stak over en zwaaide naar een lege taxi die nog stopte ook. Ik zei waar ik heen moest en de chauffeur reed de Vijzelstraat in. Aan het einde gaat die over in de Vijzelgracht; daar konden we niet verder, vanwege de werkzaamheden aan de Noord-Zuid-lijn. “Het is een terigzooi meneer,” zei de chauffeur.

We draaiden de Prinsengracht op.

“Die hele metro is een mislukking,” vervolgde de man. ‘Wie gaat er nou ooit van zijn leven in Amsterdam van Noord naar Zuid? Al die mensen die in Noord wonen, willen daar helemaal niet weg. En mensen die in Zuid wonen, die willen voor geen goud naar Noord.” Ik dacht aan Suus en haar vriendin. “Het eindigt ermee dat ze de hele boel gewoon dichtsmijten.”

Ik zweeg en keek naar buiten. De gracht lag er mooi bij, zo in de lage zon. De bomen waren geel, het water bruin en glanzend. Ik dacht aan de man die bij de Xenos op zijn vrouw had staan wachten. Zou hij er nog staan? Daarna kwamen Suus en haar vriendin weer voorbij. Zouden ze al bij H&M zijn?

De chauffeur deed de radio aan en Amy MacDonald zong er vrolijk op los. Ik was bijna thuis. Waar zou ik ook anders heen moeten gaan? Naar huis, dat is het doel van alle reizen, de zin van alle beweging. Ik deed mijn ogen dicht en voelde de taxi de laatste bocht maken, mijn straat in.


Deze content is geplaatst in categorie: Berichten.