Een schitterende dag

[dropcap]I[/dropcap]neens een schitterende dag.
Een soort van toegift.

Elvis gaf ze nooit, maar hij was ook bepaald niet het zonnetje in huis. Een dag ook om naar de garage te gaan met de oude, gele Volvo, de auto waar ik mijn hart aan heb verpand.
Bijna drie ton op de teller.
En hoor die motor eens.
Het is de eerste keer sind 15 juni dat ik achter het stuur zit, maar het voelt alsof ik nooit iets anders heb gedaan.
Raampjes open, dak open.
Wie maakt me wat, wie doet me wat – dat gevoel. Echt z’n bedriegelijk gevoel, een gevoel van niks, maar toch heel sterk. Waarom niet zometeen bij de garage linksaf slaan en verderop de Piet Heintunnel in en vandaar de ring op en de wijde wereld in?
Alles achter me laten.
Kan niet, Bril.
Want je ben ziek en veel zieker dan je durft toe te geven, eigenlijk. Doodziek, om precies te zijn. En je hebt je vrouw nodig – en de hond, al is die ook ziek. En niets is zo erg als een zieke hond in huis. Ik hoef al rijdend de ogen maar dicht te doen en ik zie haar lopen, mijn hondje, stapvoets bijna, met de oren zielig hangend naar beneden, en de neus op de grond. Ze wil niets eens bij me onder de dekens kruipen, niet eens het zweet van mijn gezicht likken.
Bij de garage is Jan en ik open de motorkap. We buigen ons over de motor. Ach, het is mooi, mannen die zich over een motorkap buigen, zeker als ik hem gestart heb.
Wat een geluid is het toch.
Probleem met de koeling.
Tsja, zegt Jan.
Hij draait de dop van het tankje met koelvloeistof. Hij kijkt naar de dop en ik kijk naar de dop. Twee mannen die naar een dop kijken. Waar zie je dat? Om het nog mooier te maken, passeert een bellend meisje. Ze draait extra met haar heupen als ze weet dat ze onze aandacht heeft. Zij is nog geen twintig en helemaal zomers, altijd zomers.
Een nieuwe dop, zegt Jan, en hij sloft de garage in. Even later is hij terug met een nieuwe dop. Ik vertel intussen een verhaal over de vorige nieuwe dop, en oude ellende die we met die koeing hebben gehad. In Italie, in Frankrijk. Jan herrinert zich dat hij een nieuwe kop in de motor heeft gezet. We slaan de motorkap dicht. Eerst dit maar eens proberen.
We gaan op de trappen van het huis naast de garage zitten. Tot vier uur ’s middags kun je daar in de zon zitten. Kopje thee erbij. Niks aan het handje.
We nemen het leven door.
Zoals mannen dat doen.
Jan die morgen naar Griekenland vertrekt en daar eigenlijk wil blijven. Hij heeft het hier wel gezien. Jan heeft het hier al jaren gezien. Zolang ik hem ken, heeft hij het hier gezien. En altijd keert hij terug uit Griekenland. Daar heeft hij het na een maand of twee ook altijd gezien. Dus daar zit je, met je problemen. De mijne liegen er ook niet om, want ik ben ziek.
Maar je hebt nog haar, zegt Jan.
Ik heb nog haar, moet ik beamen.
Later rij ik terug naar huis. Ik heb nog haar, en ik heb een auto onder mijn kont. Waarom rijd ik niet gewoon weg, richting Utrecht of naar Berlijn?
Thuis is mijn zieke hond.
En mijn lieve vrouw.
Daarom rijd ik naar huis.

download


Deze content is geplaatst in categorie: Berichten.