Haar of geen haar

[dropcap]D[/dropcap]e laatste tijd heb ik geen haar. Nou ja, een beetje, maar het heeft geen naam. Hoewel; je zou het chemo-haar kunnen noemen; een soort dons waar de schedel prominent als een biljartbal doorheen schemert. Omstanders, kenners en geliefden zeggen dat het groeit en dat er best aardig uitziet, maar ik vind het zelf in één woord: debiel. Kuikendons, dat is het.

Rampzalig.

Ik heb, geloof het of niet, altijd in de veronderstelling geleefd dat ik niet ijdel ben. Jawel. Ik herhaal: niet ijdel. Ik moet oppassen met dit soort uitspraken, dat weet ik. Niet zo lang zei ik aan de eettafel pardoes dat ik dikke zoenlippen had. Mijn dochters keken me aan en schaterden het uit. “Dikke lippen! Oliebol, je hebt dunne lippen!” Ik per ommegaande naar de spiegel, vol ongeloof. En verdomd, inderdaad: dunne lippen. Wel een grote mond, en veel tanden, maar geen Mick Jagger-lippen, absoluut geen Mick Jagger-lippen. En nu komt het: ik dacht werkelijk dat ik wel dikke lippen had. Altijd al. Nooit aan getwijfeld. Een stuk van mijn wereld stortte in, dat durf ik best te zeggen.

Nu ik met dat debiele haar zit, moet ik dus oppassen. Voor ik het weet, ga ik weer de mist in. Ik merk dat ik me toch liever niet in de openbaarheid vertoon, ziekenhuizen uitgezonderd. Nu heeft ieder ziekenhuis gelukkig een zelfbedieningsrestaurant en als je geluk hebt ook een hippe espressobar, dus daar spreek ik af met vrienden, bekenden, zakelijke relaties en zusters die een oogje op me hebben. Vooral die laatste groep vindt dat ik mijn haar moet afscheren. Kaal staat me geweldig, denken ze. Kaal is gemeen en sexy. Kaal ben ik maar één stap verwijderd van het mean motherfucker-schap.

Juist.

Maar ik kom er niet toe: kaal. Als ik vanzelf kaal was geworden, geen probleem. Als ik voor driekwart kaal was geworden, met hier en daar op het hoofd nog wat zielige slierten, dan had ik die afgeknipt. Maar om nu de tondeuse in mijn grijze dons te laten zetten; dat durf ik niet aan. Ik denk omdat ik bang ben dat er nooit meer haar zal terugkeren en dat lijkt me niks, een kale oude dag. Het is trouwens ook koud, kaal, heb ik ontdekt. En een kale, koude oude dag, daar heb ik helemaal geen zin in. Petjes, hoeden en mutsen zijn niet aan mij besteed. Dat is iets voor jongens als Giel Beelen, Marc-Marie Huybrechts en hele oude mannetjes die aan alle decorum schijt hebben. Niets voor mij.

Ik wil haar.

Het liefst wil ik ook het haar van een jaar of tien geleden. Dat stelde al weinig voor, maar je moet ergens beginnen. Het probleem met mijn haar, als ik het heb, is dat het veel te dun is. Waardeloos dun piekhaar is het. Maar nu ik het niet heb, mis ik het zoals je middenin de winter een warme zomerdag kunt missen of tijdens de vakantie ineens je huis, je straatje en je buurt. Maar de enige manier om mijn haar van vroeger (het was ook niet grijs, maar Hollands, honderig donkerblond) terug te krijgen, is een pruik te laten maken. En dan zou ik meteen ook voor heel ander haar kunnen gaan: dik, golvend haar, zwart haar, beetje grijs aan de slapen, vooruit. Ik zie mezelf al, een jonge Ruud Lubbers en dan zonder spleetje tussen de tanden. Of eindelijk eens echt dik haar, lekker lang, of een serieus herenkapsel met een ouderwetse scheiding. De pruik, kortom, zou een uitkomst kunnen zijn.

Maar ja.

In de huiselijke kring is het pruikidee me op een lawine van grappen en grollen komen te staan. Geen van de dames moest er iets van hebben, en ik geloof dat zelfs de hond bij de tegenstanders hoorde. Daar zit je dan, als bijna-haarloze. Het enige waar ik me op voor kan laten staan (en daar kwam ik ook nog per ongeluk achter) is dat ik een ontzettend onthaarde oorschelpen heb. Kijk, dat kunnen maar weinig mannen op mijn leeftijd zeggen. Die lopen allemaal met zo’n klein oerwoud in hun oren rond. En ik niet. Als u dus van baby-kale oorschelpen houdt, moet u plaatsnemen in de restauratie van uw plaatselijke ziekenhuis. Wellicht dat ik zomaar ineens op een dag langskom. Mg u even voelen.


Deze content is geplaatst in categorie: Berichten.