Het domme interview

[dropcap]W[/dropcap]aarom schrijft u?

Omdat ik het kan, en omdat ik nooit iets anders heb gewild en eigenlijk ook nooit iets anders heb gedaan. Het is mijn leven. Ik schrijf om te leven, en ik leef om te schrijven. Ik kan er niets aan doen, het is een talent dat ik moet uitbuiten. Het stadium van de waarom-vraag ben ik allang voorbij. Het schrijven is er gewoon, net als de regen.

Wie of wat is uw grootste bron van inspiratie?

Ik hou niet zo van inspiratie – dat klinkt me te romantisch. Ik heb wel eens gezegd dat je beter het telefoonboek kunt lezen, of kunt overschrijven. Mijn meeste materiaal haal ik van straat, door om me heen te kijken, naar mensen, dingen, gebeurtenissen. Ik beschouw mezelf eigenlijk als een soort verslaggever. Als je openstaat voor wat er om je heen gebeurt, is er altijd iets om over te schrijven. Niet is te klein.

Welk boek had u graag willen schrijven?

Dat weet ik eigenlijk niet, er zijn zoveel boeken. At The Bottom Of The Harbour van Joseph Mitchell had ik wel willen schrijven. Dat is een verzameling literaire reportages over de New Yorkse havens, kroegen, markten en begraafplaatsen. De dame met het hondje van Tjechov had ik ook wel willen schrijven, maar dat is niet eens een boek, maar een lang kort verhaal, een novelle. En in het Nederlands? Nader tot U van Gerard Reve.

Zijn schrijvers leuke mensen?

Wat is leuk en is leuk belangrijk? Momenteel ben ik op tournee met collega-schrijvers Ronald Giphart en Bart Chabot; we trekken langs de theaters met een soort literait totaal programma; dát is pas leuk. Maar over schrijven hebben we het nooit. Als schrijvers over schrijven beginnen, wordt het vervelend en zijn ze niet leuk meer.

Wat is het grootste misverstand over u?

Dat ik alleen oog heb voor mooie vrouwen.

Wie zijn uw literaire helden?

Mijn helden komen bijna allemaal uit Amerika: E.B.White, Joseph Mitchell, A.L.Liebling, schrijvers die operereerden op het snijvlak van literatuur en journalistiek, in de jaren dertig en veertig. Verder ben ik een groot bewonderaar van Joan Didion, Ann Beattie en vooral Alice Munroe, de beste schrijver van dit moment. In Nederland bewonder ik Remco Campert, de dichter. En een echte literaire held is Eelke de Jong, al lang dood en vergeten, maar niet door mij. In Frankrijk lees ik graag Patrick Modiano.

En uw niet-literaire?

Elvis, Marianne Timmer en Peter van Straaten. Hilbert van der Duim, Woody Allen en Catherine Deneuve.

Welk hardnekkig cliché bestaat er over uw werk?

Geen idee, eigenlijk. Misschien dat de woorden “tsja” en “enfin” er zo vaak in voorkomen, mijn favoriete stoplappen, hoewel – dat zijn het eigenlijk niet eens. Het zijn van die woordjes waarmee je van onderwerp of invalshoek kunt veranderen. Enfin. And now for something completeley different.

Waar bent u trots op?

Op mijn gezin.

Welk onderwerp is voor u taboe?

Mijn vrouw.

Wie is uw grootste fan?

Dat zeg ik niet.

Heeft u zich ooit schuldig gemaakt aan plagiaat?

Ik plagieer mezelf wel eens. En ik heb een groot talent voor mimicri, zo heet dat geloof ik; als ik een paar dagen Reve lees, ga ik als Reve schrijven. Lees ik Mulisch, dan ga ik als Mulisch schrijven. Ik heb ook wel eens de neiging een oud stukje opnieuw te bewerken en te gebruiken in een boek of een verhaal. Kennelijk was het dan nog niet af. Het blijft work in progress, wat ik doe, ook als het gepubliceerd is.

Waar bent u bang voor?

Het verkeer.

Welke kritische noot van een recensent zal u nooit vergeten?

Tom van Deel schreef bij mijn debuut Voordewind dat het van “een radeloosmakende mafheid” was. Schitterende woorden die ik nog steeds graag mag citeren.

Om welk (nog te schrijven) meesterwerk wordt u over 50 jaar herinnerd?

Dat is zoiets waar ik me zelden mee bezig houd. Ik beschouw het geheel van wat ik doe, al die dagelijkse columns, uiteindelijk als een boek, een kroniek van Nederland.

download