Het was glad in Zwolle

[dropcap]N[/dropcap]aast mij in de file stond een groene Fiat Multipla –de lelijkste auto die ooit in Italie is vervaardigd. Achter het stuur zat een forse man in een rood winterjack. Zijn blonde hoofd raakte op één centimeter na het plafond van de auto. Rustig pelde hij een mandarijntje, zoals de Paus voorschrijft dat we erotiek moeten beleven: gedisciplineerd, ja, waardig.

Intussen luisterde ik naar de radio en ineens werd ik daardoor naar Zwolle gezogen. Dat kwam in zekere zin goed uit, want ik was naar Zwolle onderweg: er heerste daar grote gladheid die ik met eigen ogen wilde zien.

Maar verslaggever Simon Dirk Terpstra van Radio Oost was mij voor. Hij schuifelde door een Zwolse buitenwijk (De Rietlanden?) en trof aldaar een oude man die de volgende woorden sprak, op bijzonder weeklagende toon: “Ik ben neerkletterd. Ik heb mien belle al kapot, en ik heb mien hand kapot.”

Ik deed de radio harder.

“Zal ik u even helpen,” vroeg Simon Dirk beleefd, “u heeft bloed aan uw hand…”

“Je kunt me verder niet help’n,” jammerde de oude baas, “ik loop ev’n daarheen.”

De verslaggever volgde. Ik zag hem voor me, op zijn Timberland-schoenen, in zijn stevige winterjas, de apparatuur omgegord, een grote microfoon onder de neus van de bloedende bejaarde: “Gaat u naar de supermarkt?”

Ik zag een Boni voor me.

“Ja naar de supermarkt, ik moet wat boodschap’n hebb’n, want anders krijg ik geen et’n meer. Maar ik heb de knie ook bezeerd, de knie ook bezeerd, en euh, ja, je was d’r niet op voorbereid hè, tenminste ikke niet, ja, en toen stapte ik op en toen zag ik het wel, het is gewoon spekglad.”

“Er ligt een laag ijs op de weg,” vatte Simon Dirk samen. Ik had het idee dat hij daar in het verre, koude Zwolle gretig om zich heen aan het kijken was of er nog meer slachtoffers van de gladheid zijn kant op kwamen glijden.

“Hè?”

“Er ligt gewoon een laag ijs op de weg,” herhaalde de verslaggever, hij had duidelijk behoefte aan een nieuw slachtoffer.

“Ja, ja, maar ik wil eig’nlijk toch wel eve’n boodschapp’n doen. Dat kan niet, zei mijn vrouw, je moet maar teruggaan, zei ze, maar ik zei: dat wil ik eig’nlijk niet, anders krijg ik vanavond geen et’n.”

“Nee?” Simon Dirk en de oude man met de fiets aan de hand schuifelden richting supermarkt. Een vrouw passeerde, ze maakte een grapje tegen de verslaggever.

“Zouden ze in de winkel een klein pleistertje hebben?” vroeg de oude man aan Simon Dirk, zijn stem brak nog verder, ja, hij torstte een loodzware kruis op de oude rug, “dat dacht ik wel hè…”

“Ik denk het ook,” antwoordde Simon Dirk.

“Want ik moet een kleine pleister d’rop hebb’n,” herhaalde het slachtoffer van de gladheid en dat was tevens het einde van de reportage en ik deed de radio uit.

Ik keek opzij, naar de Multiplaman die partje voor partje de mandarijn in zijn mond aan het steken was. Ik wist niet goed hoe ik hem in verband moest brengen met Zwolle, en de gladheid aldaar. Het leek me dat hij in heerlijke onwetendheid leefde en het had geen zin hem te waarschuwen, want we reden alweer.

download


Deze content is geplaatst in categorie: Berichten.