IJspret en erger

[dropcap]V[/dropcap]reemd, maar het schaatsen zit niet in mijn bloed. Ik mag graag naar wedstrijden kijken – dat deed ik als kind al – maar zelf de ijzers onderbinden?

Nee.

Ik heb er geen verklaring voor. Mijn moeder is Friezin. Mijn vaders’ wortels liggen op het Hoge Land van Groningen. Je zou zeggen: beter kan het niet.

Maar ik kan me niet herinneren ooit als kind met mijn ouders te hebben geschaatst. Als tienjarige heb ik een keer een winter meegemaakt met veel ijs; in ons dorp Dieren was de tennisbaan ondergespoten. Ik was er, vooral ’s avonds, niet weg te slaan, maar mijn moeder heb ik er nooit zien rondzwieren, laat staan dat mijn vader à la Fred Anton Mayer met de handen op de rug voorbij daverde.

Mijn ouders schaatsten niet, denk ik, omdat ze sociaal opwaarts in beweging waren. Klinkt dat goed of klinkt dat niet goed? Schaatsen hoorde voor hen bij het oude, arme Nederland en zij waren onderweg naar het nieuwe, rijke Nederland. Toen ze dat beloofde land bereikten, waren er geen winters meer en gingen ze skieen in Oostenrijk.

Zoiets.

Toen ik mijn lot in eigen handen kon nemen, behoorde schaatsen niet tot de activiteiten die ik in ere hield. Was er eens ijs, dan was er ook altijd wel een reden om iets anders te gaan doen. Vrienden maakten lange tochten in de Noord-Hollandse polders, ik had geen passende schaatsen meer en geen zin om ze te kopen. Bovendien was ik geen liefhebber van de natuur en al helemaal niet van koude voeten.

Toen brak de periode van mijn eigen ouderschap aan. Eén keer hebben we de afgelopen vijftien jaar in Amsterdam bevroren grachten meegemaakt. Voor de kinderen, toen nog heel klein, kochten we bij de speelgoedwinkel van die rode krabbelschaatjes. Dat was meer omdat ze het zelf zo graag wilden dan dat wij vonden dat schaatsen tot hun cultuur-historische bagage moest behoren. Nu ik het er over heb; ik weet niet eens of mijn vrouw schaatsen heeft. Als ze ze heeft, kan ze er beslist goed mee overweg.

Ik moest hieraan denken toen ik ergens tussen Ransdorp en Holysloot, iets buiten Amsterdam, moest remmen voor een oude man die over de weg kroop. Hij had schaatsen aan zijn voeten, een noodpakket op zijn rug en was onderweg van de ene sloot naar de andere sloot.

Achterin de zestig was de man, en hij had een kranige snor, zo’n overste Karremans-snor. Het kan aan mij liggen, of aan de overste die tegenwoordig in Spanje woont, maar ik vind dat een ontroerende snor. Zo krachtdadig als hij wil lijken, zo zielig is hij eigenlijk. Een snor in discrediet.

De man bereikte de overkant van het weggetje en begon overeind te klauteren. Er stond een boompje waar hij zich aan vast kon klampen. Maar toch zat het allemaal niet mee. Misschien kwam het door mij. Toen de man eindelijk rechtop stond, keek hij mijn kant op: waarom reed ik niet door? Ik gaf een klein beetje gas om hem gerust te stellen, aan te moedigen.

Daarna stapte hij onzeker op het ijs en alsof de duivel ermee speelde, sloeg hij zowat ondersteboven. Het gebeurde gelukkig niet en met trage, stijve slagen schaatste hij weg, richting de grijze, betekenisloze horizon. Ik ging naar huis, en hij misschien ook wel.

einde


Deze content is geplaatst in categorie: Berichten.