“Ik ben niet ontevreden”

[dropcap]W[/dropcap]anneer werd u de beste columnist van Nederland?

“In mijn eigen genre ben ik de beste, maar daar ben ik de enige. Eenoog is koning. Niemand doet wat ik doe.”

Wie is er beter dan u?

“Neem nou de New York Times. Niet dat ik al hun columnisten ken, maar daar heb je Maureen Dowd. Die schrijft over Washington, is een invloedrijke tegenstander van Bush. Zij combineert opinie met nieuwsgierigheid. Zelf op pad gaan. Ik doe het ook wel eens. Als ik iets wil weten over Wouter Bos, rij ik naar Delfzijl, als hij daar spreekt. Maar dan kom ik nooit collega’s tegen. Veel van die columnisten nemen alleen waar via de televisie.”

Wat is uw talent?

“Mijn grootste wapen is de mildheid, ik weiger me over te geven aan cynisme. Het leven is geen lolletje. Ik probeer troost te bieden. Dat hoekje in de krant is niet een lichtje in de duisternis, maar het scheelt weinig. De sfeer om me heen probeer ik te beschrijven, de flow die het leven is. Ik doe in toon.”

U doet niet in opinies?

“Het uitventen en lezen van meningen is niet interessant. Het kan de mensen ook niet ZO VEEL schelen, al die meningen. Iedereen heeft er een, moet je er dan ook nog over lezen in de krant? Donder op. Mijn opdracht is niet om een opiniërend columnist te zijn. Ik moet een groot portret van Nederland maken, van een paar duizend afleveringen. Wat zich afspeelt tussen Coevorden en Amsterdam, en in mijn hoofd.”

Hoeveel afleveringen komen er nog?

“Heel veel. Tot het fenomeen krant niet meer bestaat. En dan begin ik mijn eigen krant. De toekomst is aan de digitale media. Ik hou van fotograferen, en filmpjes maken. Het weblog van Wim de Bie trekt 180.000 unieke bezoekers per maand. Als je die allemaal een euro per maand laat betalen, ben je in business.”

Wie zijn uw concurrenten?

“Het is een kopgroep, waar je in fietst. We hebben allemaal dezelfde wind tegen. Joost Zwagerman kan een goede column schrijven, al is zijn schrijfstijl een tikje stijf. Jan Blokker kan wel eens wat minder zijn, maar als-ie goed is, is ie goed. Dan combineert hij scherpte, helderheid en verstand. Het kereltje Pechtold – een meesterlijke satirische vondst.”

Youp van ’t Hek?

“Het zijn kutcolumns, bagger, maar toch kan ik er om lachen. Zijn laatste oudejaarsconferènce was gewoon slecht, maar niemand zegt er iets van. Youp begint er onder te lijden dat hij bij voortduring zijn eigen publiek beledigt, maar dat ze blijven komen. Het begint tragisch te worden. Hij zag er ook beroerd uit bij die conferènce. De broek was niet goed, dat vieze hemd, die hand in de zak. Het is treurig geworden.”

Theodor Holman?

“Op z’n best als het over hemzelf gaat, als schaamteloos komisch nummer. Holman die aan de schijterij is, dat wil ik lezen. Ik wil ervoor pleiten dat hij alleen nog daar over schrijft. Wanneer het over de toestand in de wereld moet gaan, is Holman meer van de gemiste plank. Dan wordt het de weduwe Van Gogh. Het zal best oprecht zijn, maar ik zit er niet op te wachten.”

Jan Mulder?

“Die kan er bij vlagen ook wat van. Hij is goed als-ie zich door emoties overmand laat meesleuren. Jan is op z’n best als het over neuken gaat. Hij is de enige die daar unverfroren over schrijft. Flitsen uit Brussel, ook goed. Of Jan aan het graf van George Best. Van mij hoeft hij niet over Verdonk te schrijven.”

Rob Hoogland?

“Borrelpraat. Binnen de formule van De Telegraaf werkt het wel. Het is zo pretentieloos als het er in staat. Het is te lullig om te zeggen dat het waardeloos is. Het is een andere wereld, een andere tak van sport. Dat weet-ie zelf ook wel.”

Max Pam?

“Kan geestig uit de hoek komen. Max maakt de lezer attent op verbanden die ze zelf niet zouden kunnen bedenken. En die verbanden blijven daarna voor altijd zo in je hoofd zitten. Max is wel drie dagen bezig met een column, dat kan ik me niet veroorloven. Ik sta op en denk: o mijn god, straks is het weer zover.”

Bas Heijne?

“Bas is op z’n tijd scherp en helder. Vaak is het toch professor Bas die nog één keer uitlegt hoe het verder moet. Wat mij stoort is dat het nooit goed is in Nederland. Dat is pissen in je eigen water. Wanneer ik van Amsterdam naar Coevorden rij en iedere tien kilometer stop, kom ik geen ongelukkig mens tegen. Maar op zaterdag in de krant is alles ineens slecht.”

Is Martin Bril een goede naam voor een schrijver?

“Voor wat ik doe wel. Ik ben er niet ontevreden over.”

Wat is het verschil tussen een columnist en een schrijver?

“Een schrijver werkt voor de eeuwigheid. Ik ben geen auteur, ik werk niet aan een oeuvre. Ik schrijf cursiefjes. Een chroniquer kun je het ook noemen. Mijn werk is een tijdsbeeld, van alle facetten van het leven. Daarin onderscheid ik me. Je weet nooit waar mijn column van morgen over gaat.”

Waarom houdt u zo van alinea’s die uit één zin bestaan?

“Het is geen vorm maar stijl. Bij Het Parool liep mijn column over één kolom. Bij lange alinea’s liep het te veel vol. Wanneer ik ze korter maakte, ontstond er een bepaalde vaart. Er kwam lucht in, visueel.”

Soms moet een alinea één woord zijn?

“Mijn enige woord is: Enfin. En: Tja. Enfin gebruik ik zoals Monty Python deed met: And now for something completely different. Tja is een melancholieke zucht. Ik heb het niet van mezelf. Richard Brautigan deed het, de ultieme hippieschrijver. Hier kijk, in dit boekje van hem. Hij schrijft als alinea: Damn it. Ik doe het niet vaak meer, maar lezers hebben dat niet snel door. Het is niet een middel om de column gauw vol te hebben. Ja, heel soms.”

Voelt u verbondenheid met de Volkskrant?

“Bijzonder. Ik groeide op met Trouw, vanaf mijn studie las ik de Volkskrant. Mijn hart ligt bij een linkse krant. Het NRC Handelsblad zijn corduroy broeken en blazers. Vrij Nederland, voel ik het ook bij. Met HP/De Tijd minder. Ik heb wel voor ze gewerkt. Dat blad heeft ironie, tongue in cheeck. Maar daar moet je heel goed voor kunnen schrijven, anders gaat het mis. Zij hebben te veel schrijvers die het net niet kunnen. Dan wordt het een toontje.”

Voelt u verbondenheid met Net5?

“Ik schrok me een hoedje. Willem Zijlstra van Net5 benaderde me. Hij wilde een tv-serie maken van Evelien, mijn feuilleton in Vrij Nederland. Ik dacht hele enge dingen. Ik zag GTST voor me. Je kunt zeggen: hier heb je het, kom maar op met het geld. Die Zijlstra was een interessant type, hij wilde het per se hebben. Ik vroeg wie het dan gingen maken. Na een paar maanden kwam-ie met de naam Kim van Kooten. Ik dacht: goh, die Zijlstra, die durft. Het is een onverwacht produkt geworden. Geestig, witty. Het is niet slick en voorspelbaar, het is geen Gooische Vrouwen. Daar kijken 1 miljoen mensen naar. Wat betekent dat er 15 miljoen niet kijken. Dat is de wet van de grote getallen.”

Op wie heeft u gestemd bij de Gemeenteraadsverkiezingen?

“Meneer Voordewind van de Christenunie. Uit balorigheid, omdat mijn eerste roman VOORDEWIND heette. Ik ga niet op de PvdA stemmen, die moeten niet te groot worden. Dan worden ze minder links dan je zou willen. Wouter Bos krijgt een meerderheid, maar wil niet in een linkse coalitie regeren. Dat snap ik niet. Ja, ik heb er best ideeën over.”

Bent u een intellectueel?

“Ik lees wel eens een boek, ook moeilijke boeken. Wittgenstein, dat kan ik lezen als het moet, zo ben ik geschoold. Maar ik beschouw mezelf niet als een intellectueel. Mijn werk is voelen, niet denken. Ik ben te kortademig en te intuïtief. Mijn attentiespanne duurt anderhalf uur.”

Ontmoet u wel eens literaire groupies?

“Ik ben nu op toernee met Ronald Giphart en Bart Chabot. Ronalds publiek bestaat uit studenten, dat van mij uit oudere Volkskrantlezers. Is toch een andere sfeer. Groupies zijn wonderlijke dames. Enthousiaste vrouwen tussen de vijfentwintig en de 45. Ik krijg mannelijke groupies, die alles hebben van Simon Carmiggelt, en nu ook van mij. Ze komen met boodschappentassen vol boeken, die ik één voor één moet signeren. Soms zijn mensen zo geraakt door het werk, dat ze denken dat ze geraakt zijn door mij. Ze denken dat ze mij kennen. Dat is toch een misverstand, meestal. Ze lezen een column van mij foutief, denken dat ik in scheiding lig, en bieden hun vakantiehuisje aan. De mensen zijn stuurloos, ze zoeken houvast. De krant is zo’n houvast, en daarin ben ik een geluid.”

Bent u een player?

“Ik ben getrouwd. Polygamie staat niet in hoog aanzien. Het is een droom die ik heb opgegeven. Het thuisfront is me te veel waard. Je kunt wel bezig blijven. In beperking schuilt het meesterschap, ook bij vrouwen. Heb ik door schade en schande geleerd. Ik ben dol op flirten, maar het moet in het nette blijven. Serveersters. Ik noem ze schat en honnepon. Het is allemaal aandacht. Wanneer je aandacht krijgt, wil je alleen maar meer.”

Vroeger leefde u groots en meeslepend?

“Je bent jong en je wilt wat. Het was bingo aan alle kanten, van begin jaren tachtig tot halverwege de jaren negentig. Tot mijn vijfendertigste heb ik niets gedaan. Dat kon toen nog. Ik werkte wel, ik was een actieve freelancer. Het lukte me altijd om ’s ochtends wakker te worden. Schrijven van acht uur tot een uur of twaalf, half een. Ik schreef langer dan nu. Nu schrijf ik maar anderhalf uur per dag. Daarna begon het zuipen.”

Welke drank?

“Wodka. Puur, uit de vriezer. Halve fles per dag.
Een besprenkelde lunch, en ’s middags een rondje maken langs opdrachtgevers. Afspraken, borrels. Ik kon het moreel wegzetten als werkzaamheden. In wezen was het tijdverspilling. Het kan allemaal worden afgedaan als research, maar na een tijdje ben je uitgeresearcht. Je wilt toch een keer carrière maken. Ik kan me geen katers veroorloven. Wanneer morgenochtend in de haven van Rotterdam een bom af gaat, kan ik niet in bed liggen.”

Wat vond u zo lekker aan de cocaïne?

“Het leidde tot een goed soort zelfoverschatting, maar niet tot werk. Het is tien jaar geleden, ik kan me niet veel meer herinneren. Ik herinner me gekloot met rietjes en pakjes en spiegels. Altijd goed, parafernalia. Van origine ben ik een speedfreak. Ik woonde steeds in de buurt van jongens die dat heel goed konden maken. Ik heb het nooit gespoten, zoals Jules Deelder en Herman Brood. Snuiven. Tot je geen neus meer over hebt.”

Was u ook verslaafd aan sex?

“Het is allemaal één pot nat. Sex, porno, gokken, kleren kopen – ik ben er allemaal
verslaafd aan geweest, in gradaties. Wanneer het in je genen zit, kun je je overal mateloos in verliezen. Het gaat nooit meer weg. Wanneer je in behandeling bent geweest, zoals ik, denk je eraan bij iedere consumptie. Ik ben een jaar bij de Jellinek geweest, ik heb de hele drill meegemaakt.”

Nu drinkt u weer sociaal?

“Ik ben ziek geweest. Kanker. In de nasleep daarvan kreeg ik last van buikpijn. Ik dacht: godverdomme, als ik bij het eten in Frankrijk niet eens een glas wijn kan drinken. Ik had acht jaar niet gedronken. Soms drink ik een biertje. Je moet ermee leven, net als met ziekte en ouderdom. Het is moeilijk, voor sommige mensen zelfs ondraaglijk, om in de waarheid te staan.”

U leeft als een burgerman?

“Ik doe mijn uiterste best. Het is natuurlijk nooit helemaal het burgermansleven, vanwege de aard der werkzaamheden. Ik zoop gewoon te veel, ik kreeg een hekel aan mezelf. Op een dag kom je thuis en blijkt uit de reacties dat je te ver bent gegaan. Je bent toch met iemand ergens aan begonnen. Dan moet je het zo goed mogelijk samen afmaken. Het gaat allemaal om wat wij hier in huis de unit noemen. Gezin, dat klinkt zo lullig.”

De unit, heeft u dat bedacht?

“Daar zijn mijn vrouw en mijn dochters mee gekomen.”

Werken is uw nieuwe verslaving?

“Daar zijn alle verslavingen in samen gekomen. Ik kan me er mateloos in verliezen.”

© Robert Vuijstje/Nieuwe Revu 2006

download