Kind en sneeuwkettingen

[dropcap]H[/dropcap]et was winter en we waren in de Cantal, bij Aurillac. Vanuit meteorologisch oogpunt is dat een interessante stad. Er gaat geen weerbericht op de Franse televisie voorbij zonder de mededeling dat gisteren de laagste temperaturen in Aurillac waren gemeten, en dat dat morgen opnieuw het geval zou zijn.

We waren de stad gepasseerd en volgden een lange weg richting de ski-gebieden van de Cantal. De bergen met hun witte toppen kwamen steeds dichterbij. Langs de weg lag de sneeuw hoog opgetast, hard en smerig. Uiteindelijk kwamen we bij een tunnel en een eenzaam stoplicht dat op rood stond.

De tunnel bestond uit één smalle buis. Een tweede buis was in aanbouw. Vrachtwagens en graafmachines reden af en aan. Af en toe klonken diep in de berg explosies – althans zo leek het.

Groen.

Stapvoets reden we het donker in. De ruitenwissers moesten aan. Het plafond van de tunnel lekte water. Hier en daar hing een lamp. Het was geen lange tunnel, maar wel een griezelige. Het voelde alsof we ondergronds waren, en steeds dieper gingen.

Aan de andere kant van de tunnel troffen we een ansichtkaart. Sneeuw, sneeuw, sneeuw. In de verte een pittoresk stationnetje. Kennelijk was er net een trein aangekomen. Mensen met skies op hun schouder staken de weg over.

We moesten linksaf, omhoog.

Langs die weg: hotels, restaurants, parkeerterreinen. En een klein benzinestation waar we stopten, want we hadden geen sneeuwkettingen. Die hadden we beslist nodig, want de weg omhoog was steil en onbegaan zonder kettingen. Je zag auto’s achteruit glijden, en verlaten auto’s in de berm.

De man van het benzinestation had nog één set kettingen. Het was een absoluut wonder dat ze de juiste maat hadden voor mijn wielen. Hij verkocht ze met tegenzin. In de hoek van zijn kleine, vuile kantoortje lag een enorme hond.

Nu moesten de kettingen om de wielen, maar de man ging ons daarbij niet helpen. Kennelijk nog steeds de pest in dat ik zijn laatste kettingen had gekocht.

Het was koud.

En er viel sneeuw, ineens, dikke sneeuw. Ik lag op mijn buik te kloten met die vreselijke kettingen. Na een tijdje was ik nog steeds nergens, hoe goed ik me ook in de bijgeleverde gebruiksaanwijzing verdiepte. Mijn handen waren stijf van de kou, en wat ook niet hielp was dat ik me een kluns voelde, een man van niets die godverdomme niet eens sneeuwkettingen om zijn wielen kon leggen.

Toen stapte mijn jongste dochter uit de auto. Zij zal destijds een jaar of twaalf zijn geweest, misschien elf – ik ben niet zo goed in persoonlijke geschiedenis. Ze nam de gebruiksaanwijzingen van me over en bestudeerde daarna rustig de wirwar van kettingen. Een deel was rood, een ander deel geel.

“Oké pap,” zei ze, “eerst dat rode stuk.”

Ik begreep wat ze bedoelde, maar het lukte me niet een bijdrage te leveren. Het raadsel van de kettingen was me boven het hoofd gegroeid. En ik had het het koud en ik was nat en het begon nog harder te sneeuwen.

Mijn dochter was niet verrast door mijn onhandigheid, maar misschien wel beangstigd door de existentiele nood die het probleem bij haar vader veroorzaakte. Waarom alles zo zwaar zien als je het ook als eenluchtige puzzel kunt beschouwen? Ze nam me de kettingen uit handen en legde ze foutloos om het linkerwiel.

“Nu de andere kant,” zei ze, “kom op pap.”

Ik was mijn crisis een beetje te boven. Ik had me vermand, zoals dat zo toepasselijk heet. Bij het tweede wiel kon ik haar helpen; we deden het samen. Het was een eitje. En de blossen op mijn dochters wangen maakten alles goed. Daarna stapten we in de auto en reden moeiteloos de hoge berg op, tot we waren waar we wilden zijn.


Deze content is geplaatst in categorie: Berichten.