Le café qui parle

[dropcap]L[/dropcap]e café qui parle is een mooie naam voor een kroeg. Zeker als er niemand zit en achter de zinken toog een nurkse man staat die al lang met pensioen had moeten zijn. De zaak ligt aan een van de mooiste straten van Parijs die ik ken, maar dat zegt niets.

Honderden straten en pleinen ken ik in de Lichtstad, maar in duizenden heb ik nog nooit een stap gezet. Ik zou er graag een project van maken; al die straten te bezoeken, maar ik ben bang dat ik het niet ga halen. Dat ligt aan mij, enerzijds, maar ook, en belangrijker nog, aan Parijs zelf: iedere keer dat je er komt lijkt de stad groter. Hoe meer je er vanaf weet, hoe meer geheimen ze blijkt te herbergen. Misschien is dat wel een van de kenmerken van een echte stad.

Le cafe qui parle bevindt zich aan de rue Caulaincourt, een slingerende straat in het heuvelachtige deel van Parijs, zo rond de Sacre Coeur, in Montmartre dus. In mijn jonge jaren was dit een deel van Parijs waar je altijd automatisch terecht kwam, maar hoe ouder ik werd, hoe minder aantrekkingskracht Montmartre had. Tot ik er vorig jaar op een zondagochtend per ongeluk belandde. Vrijwel onmiddellijk was ik verliefd op die rue Caulaincourt. Prachtige bomen, schitterende vergezichten over de stad, af en toe een flits van de witte baseliek.

Wat zeker mee hielp, was dat Caulaincourt de metgezel was van Napoleon tijdens diens vlucht uit Rusland in 1812. Terwijl de restanten van de trotse Grande Armee veertig graden vrieskou en aanvallen van kozakken moesten weerstaan, reisde de keizer met slee en koets zo snel als hij maar kon naar Parijs waar een staatsgreep tegen hem werd voorbereid. Over die ervaring schreef Caulaincourt uiteraard een boek, En traineau avec l’Empereur, dat eindigt met de beroemde woorden die Napoleon uitsprak toen hij Parijs binnenreed: “De keizer heeft zich nog nooit zo goed gevoeld.”

Enfin.

In Le cafe qui parle was van deze geschiedenis niets terug te vinden. Wel kreeg ik als zwijgende drinker aan de toog gezelschap van twee homo’s met een baby. Ook in Parijs is dat een trent aan het worden. Van mij mag alles, maar sommige dingen zijn desondanks moeilijk te bevatten. Ik ben zo’n type dat zichzelf dan het liefst voor de kop zou willen slaan. Man, wat kan jou het schelen, als die jongens nou gelukkig zijn met een kindeke, laat ze lekker!

En gelukkig waren ze – daar hoefde je geen Einstein voor te zijn. Allereerst werd de baby uit de wandelwagen getild. Het was overigens meer een rijdend plateau, maar dat terzijde. De man die het kind nu in zijn handen had, droeg het over aan zijn vriend. Kennelijk hadden ze duidelijke afspraken.

Jij dit, ik dat.

De baby begon te huilen en de vader legde het kind over de schouder en beklopte al lopend door het cafe liefdevol het volle broekje. Na twee keer op en neer te zijn geweest, overhandigde hij het huilende geval aan de andere vader, die precies hetzelfde ging doen om het verdriet te te dempen, ook vergeefs.

Van achter zijn toog keek de dikke uitbater zwijgend toe. Buiten passeerde een bus, gevolgd door een winterse bui. Parijs had er moeite mee zichzelf te zijn. Gelukkig arriveerde toen een oude dame met zilvergrijs haar, een tekkel en een lange bontjas. Zij hees zich piepend op een kruk en bestelde een glas champagne. Daarna begon ze gesprek met haar hond die ze op de kruk naast haar had gezet.

EINDE


Deze content is geplaatst in categorie: Berichten.