Onderweg naar Den Helder

[dropcap]O[/dropcap]nderweg naar Den Helder ging mijn telefoon. Dat werd tijd ook. Om mij heen zat iedereen te bellen, ik viel ontzettend uit de toon. We leven in een wereld waar het oudehoeren eindeloos is. Niemand die nog naar het voorbijrazende landschap kijkt. Je kunt net zo goed thuis blijven.

In het display zag ik wie er belde. Een vriendin met wie het leuk lullen is. Ik nam op door haar naam te roepen. De man die naast mij zat te bellen, keek verstoord op. Alsof hij zo rustig en discreet zat te bellen. Hij besprak de kwalen van een collega met een vriend die vanwege een hernia aan huis was gekluisterd.

Mijn vriendin zei niets.

Ik riep nogmaals haar naam, maar er gebeurde niets. De verbinding bleef intact. Toen hoorde ik vaag in de verte het klikken van hakken, af en toe onderbroken door een dof klapje, alsof de telefoon in haar tas tegen haar portemonnee of een verdwaalde tampon opbotste. Dat is nou typisch iets dat gebeurt op zo’n moment – je gaat je een voorstelling maken van de intieme omgeving waarin andermans telefoon zich bevindt.

De trein passeerde Castricum. Op het lege perron liep een man van buitenlandse afkomst met een Unoxmuts over de oren getrokken. Hij keek niet op toen de trein passeerde. Daarna kregen we een paard voorgeschoteld dat zwaar ademend langs de spoordijk stond. Enorme wolken kwamen er uit zijn neus.

Winter in Holland.

Intussen was ik nog steeds verbonden met de handtas van mijn vriendin en ik omdat ik niets anders doen te had, stelde ik me voor wat er allemaal inzat, behalve die portemonnee en die tampon. Een pen, een dop van een andere pen, wat losjes muntjes, een lippenstift, een gebruikte Kleenex, een snoepje ergens meegenomen in een restaurant, een sleutelbos, een zonnebril met maar één glas, drie haar-elastiekjes, een pleister, een pasje om door het poortje bij haar werk te komen, een oogpotlood zonder punt, een bierviltje met een telefoonnummer erop (maar ze is vergeten van wie het nummer ook alweer is).

Gezellig, in zo’n damestas.

De trein minderde vaart voor het station van Alkmaar. We gleden langs een begraafplaats waar een dominee bij een open graf stond te bidden. Een handjevol rouwenden stond met gebogen hoofd om hem heen. De trein kwam tot stilstand, we stonden nu scheef op de spoordijk. Het begon te sneeuwen. Mijn buurman tilde even zijn kont op om een zachte scheet te laten. De dominee was klaar met bidden, de weduwnaar en zijn twee dochters waren de eersten die met een grote krans naar het graf schuifelden.

De trein trok weer op.Ik luisterde nog steeds naar de handtas, maar er zat weinig schot meer in. We rolden het station van Alkmaar binnen, het perron stond vol scholieren met rugzakken. Ik verbrak de verbinding met de tas, mijn buurman stond op. Hij was nog steeds volop in gesprek over zijn zieke collega die er kennelijk met de pet naar gooide. De klok boven het perron stond stil op tien voor vijf – dat had ik nog nooit eerder gezien.Het was nog lang geen tien voor vijf, een onzalig tijdstip.

De trein reed weer.

Buitenwijken, weilanden, Den Helder was nog ver weg. Om mij heen zat iedereen te bellen, iedereen was alleen. Dat klopte goed bij Den Helder, dat wel. Alsof niemand er heen wilde.

download


Deze content is geplaatst in categorie: Berichten.