Op straat in Eindhoven

no-image800

[oorspronkelijke afbeelding verdwenen]

[dropcap]G[/dropcap]rote Berg, Kleine Berg, Bergstraat; Eindhoven. Stripwinkels, kappers, platenzaken, mode, restaurants. Trendy buurtje aan de rand van het centrum. Gisteren ging daar voorzichtig het gerucht rond dat het voorjaar nakend is; vrouwen droegen geen handschoenen meer, jassen hingen open, gezichten stonden monter.

Op een bankje voor de deur van Faces, een kapsalon die knipt zonder afspraak, studenten twintig procent korting, zaten twee meiden; de een droeg witte laarzen, panties en een zwart leren jack, de ander een bruin ensemble. De zon streelde hun gezichten. Het was niet duidelijk of ze naar de kapper waren geweest, of er zo heen gingen. Hun haar zat goed. “Hij wil alleen maar seks,” zei de één tegen de ander.

“Lekker toch,” zei de ander.

“Ik wil ook wel eens uit, weet je wel, naar de film, dansen, eten. Met vrienden enzo. Maar hij niet. Vrijdagavond, zaterdagavond, hij wil alleen maar DVD-tjes kijken, hij wil de deur niet uit. Ik word er gek van.”

“Ga dan met ons mee,” zei de ander.

“Hij is stikjaloers, dat kan niet,” zei het meisje. Ze haalde een hand door haar haar en ritste haar jack een stukje open. “Straks is het mooi weer, en zit ik vast in die kutflat.” Ze zuchtte, alsof ze zich stiekem toch al met haar lot had verzoend. “Is er wat?” vroeg ze toen onverwachts aan de passant die was blijven staan en quasi-geinteresseerd de Heilige Geeststraat in keek, een straat van niets, inderdaad. Er fietste een jongetje in rond op een fietsje met zijwielen.

“Niets,” zei de passant, en hij liep snel door, om iets verderop staande te worden gehouden door een oude man in een zware, bruine leren jas. “Mag ik u wat vragen?”

“Natuurlijk,” zei de passant.

‘Wil je diamanten kopen?” vroeg de oude man, roodaangelopen gezicht, sluwe, blauwe ogen, één gele tand tussen grote, gebarsten lippen.

“Diamanten…” aarzelde de passant.

“Ik kom net bij de juwelier vandaan, daar moest ik mijn paspoort laten zien,” vervolgde de oude man op vertrouwelijke toon. “Ze zijn echt hoor, dat zweer ik oe, op mijn twee kinderen.”

De passant keek over de schouder van de oude man naar de twee meiden op het bankje voor de kapper. Ze waren nog steeds druk in gesprek. De oude man pakte hem bij zijn arm en duwde hem een stukje de Heilige Geeststraat in. “Ik zweer het oe,” herhaalde hij, “ze zijn echt, maar gestolen hè.” Hij rommelde in de zakken van zijn jas en kwam met een gevouwen wit papiertje op de proppen dat hij met trillende vingers open vouwde. “Kijk,” mompelde hij, “diamanten.”

De passant keek.

Er lagen twee piepkleine, geslepen stukjes glas op het beduimelde en al vaak open en dicht gevouwde stukje witte papier. Het konden best diamanten zijn. “Ik heb er geen verstand van,” zei de passant, “hoeveel moet je er voor hebben?”

“Honderd euro,” zei de oude baas onmiddellijk, “maar ze zijn echt. Ik zweer het oe, op mijn twee kinderen.” Hij keek de passant doordringend aan.

“Ik hoef ze niet,” zei de passant, “ik heb niets aan diamanten.”

“Ik ook niet,” grijnsde de oude man terwijl hij het papiertje weer dichtvouwde. “Maar ze zijn wel echt.”

“Tsja,” zei de passant die verder wilde. De meisjes die bij de kapper voor de deur zaten, waren verdwenen. Een merel floot hartverscheurend. Het voorjaar was nabij, diamanten of geen diamanten. Alle partijen waren het daar over eens.

download


Deze content is geplaatst in categorie: Berichten.