Over het platteland

[dropcap]A[/dropcap]ls ik aan het platteland denk, denk ik aan duisternis. En als ik aan duisternis denk, denk ik aan Westervelde – een nederzetting vlakbij Norg, in Drenthe.

Ach, Drenthe.

Ik ben er al een tijd niet geweest en eerlijk gezegd: ik mis het. De schrale kaalheid, de stugge uithoeken, Relus ter Beek, dood. Van alle provincies vind ik Drenthe de mooiste, vooral als ikzelf de enige bezoeker ben, dat moet ik er wel bij zeggen. Na Drenthe komt Groningen – en dan vooral Het Hoge Land – en op de derde plaats volgt het zelfs door God verlaten Zeeuws Vlaanderen.

Zo denk ik er vandaag over.

Ik denk er ook wel eens anders over; dan breekt mijn hart op de Holterberg. Op de tweede plaats komt de noordwesthoek van Friesland, Het Bildt, en op drie staat dan de kale kop van Noord-Holland met dorpen als Opperdoes, Lutjewinkel en Aardswoud. Brabant en Limburg sluit ik op andere dagen moeiteloos in mijn armen; de streek rond Hilvarenbeek, het Maasdal tussen Venlo en Roermond, de Betuwe langs De Linge, ik noem maar wat, het is maar net hoe mijn pet staat.

Voor mij is het platteland geen abstraktie en ook niet iets dat af en toe in georganiseerd verband bezocht dient te worden. Ik ben niet geinteresseerd in wandelroutes, toeristische opstappunten en folders van plaatselijke VVV’s. Ik ben geen dagjesmens, zal ik maar zeggen, en ik ontbeer ook de juiste, frisse vrijetijdskleding en een fietsrek achterop de auto.

Voor mij is het platteland een geestesgesteldheid. Ik woon al dertig jaar in de stad, maar ik voel me nog altijd iemand van het platteland. Of het me ooit zal lukken er definitief naar terug te keren is een tweede.

Misschien hoeft het niet eens.

Terugkeren is ook een vreemd begrip in dit verband, want kom ik eigenlijk niet eens van het platteland. Mijn ouders wel, maar ik niet. Ik ben geboren in Utrecht en opgegroeid in het keurige dorp Dieren, Drachten en een legerplaats op de Veluwe. En toch voel ik mij met hart en ziel iemand die niet in de stad hoort.

Terug naar de duisternis.

Westervelde, bij Norg, is een nederzetting met helemaal niets; een paar boerderijen, een hunebed, wat huizen, een brievenbus, een weide met een paard erin, en een hotel waar ik de naam niet van ga noemen. De doorgaande weg is een klinkerweg die naar Veenhuizen gaat. Iets buiten de bebouwde kom staan lantarenpalen in het bos: ’s winters is daar een ijsbaan. Een paar jaar geleden kwam ik met enige regelmaat in dat hotel, altijd in de herfst, en na diner maakte ik dan een wandeling, een uur of tien was het.

In de stad is tien uur ’s avonds niets, Albert Heijn is bij wijze van spreken nog maar net dicht, maar op het platteland is tien uur in het najaar al heel laat en de duisternis navenant. Als een diepe, vanzelfsprekende deken hangt het donker tussen de bomen.

Enfin.

Die avondlijke wandelingen door Westervelde staan me helder voor de geest. De stilte, de duisternis, de onbeschrijfelijke, tintelende, scherpe frisheid van de lucht. Iedere ademtocht een unieke ervaring. Adem in, adem uit, adem in, adem uit. Rustig luisteren naar de eigen voetstappen, straks een vers bed. Het is deze sensatie die voor mij het platteland definieert. Adem in, adem uit. Een met moeite veroverde zorgeloosheid die altijd te kort duurt.


Deze content is geplaatst in categorie: Berichten.