Over Schoonheid

[dropcap]S[/dropcap]choonheid is een fragiele zaak. Er hoeft maar iets te gebeuren en er is niets meer van over.

Iets en niets.

Ik loop over de Looiersgracht. Zojuist was het nog mistig, nu is de lucht bijna blauw, de laatste flarden maken zich uit de voeten. Op het water drijven gele herfstbladeren. De gedachten dwalen af. Iemand vertelde dat hij middenin de nacht wakker werd gemaakt door zijn kind.

Verteller is een man.

Kind: zoontje van vier.

Moeder is er niet, zij is in Singapore. Reden: onbekend. Het jongetje kan niet slapen. Bram heet hij. Een mooie naam. Bram. Vader staat op om hem weer in bed te leggen, maar het is duidelijk dat Bram daar te wakker voor is. Ze belanden in de keuken. Vader doet de televisie aan; die hangt in een hoek naast van de koelkast.

Barack Obama houdt in Chicago zijn overwinningsspeech. Vader wordt er onmiddelijk door gegrepen. Hij zet het geluid harder, kijkt en luistert.

Ademloos.

Wat een speech.

En waar is Bram?

Bram staat naast zijn vader en kijkt ook naar Obama. Hij merkt niet eens dat hij koude voeten heeft en dat papa hem is vergeten.

Dan is het voorbij.

Vader realiseert zich ineens dat hij niet alleen in de keuken is. Bram is er ook. “En,” vraagt hij zijn kleine zoon, “wat vondt je er van? De nieuwe president van Amerika.”

Bram denkt na.

“Een lieve meneer,” zegt hij dan.

Vader lacht en doet de televisie uit. Samen met zijn zoon is hij getuige geweest van een historisch moment. Als Bram het zich over dertig, veertig jaar nog herinnert is het helemaal mooi. Voor zulke dingen ben je vader en zoon.

Ik kuier intussen nog steeds langs de Looiersgracht, een korte gracht tussen de Prinsengracht en LIjnbaansgracht. Ik loop richting die laatste gracht, naar de zon toe.

En naar de Marnixstraat.

Trams, taxi’s, bussen.

Aan de overkant ligt het grote verzorgingstehuis Bernardus. Al zeker tien jaar heb ik daar een meneer zitten. Hij woont in een kamer aan de straatkant. Hij is kaal. In de vensterbank staat een buste van Beethoven. Vandaag draagt hij een groene pyjama. Hij kijkt nergens naar, zijn hoofd hangt geknakt tussen zijn schouders.

Ik passeer hem in de schaduw en sla de hoek om, weer de zon in. De Koekjesbrug ligt voor me. Bij de ingang van het verzorgingstehuis zit een oude dame in een rolstoel, hoewel, het is meer een soort bed. Naast haar zit een jongere vrouw, haar dochter. Zij heeft haar moeder naar buiten gereden.

“Even het zonnetje in, mam.”

Dochter rookt een sigaret. Moeder is stevig ingepakt in dekens. Er komt een slangetje uit haar neus. De zon schijnt bijna door haar dunne, witte huid heen. Het kan de laatste keer zijn dat ze in de buitenlucht van de zon geniet.

Moeder en dochter.

Vader en zoon.

De gedachten die afdwaalden, komen me bij me terug. Wat ze hebben uitgespookt weet ik niet. We merken het wel, op een dag. Wat mooi is, moet zo blijven.


Deze content is geplaatst in categorie: Berichten.