Pierre à Paris

[dropcap]E[/dropcap]en vast adres. Dat is waar een man in den vreemde behoefte aan heeft. Zeker als hij alleen is en het koud is. Een bekend gezicht, de beroepsmatige glimlach van een ober – dat is genoeg. In Parijs is mijn vaste adres Café Pierre.

Niets bijzonders verder; hoek Magenta en Rue Beaurepaire, vlakbij Place de la Republique. Zo’n adres waar je je eigen tafeltje hebt, ook belangrijk. Niet dat er niemand anders aan mag zitten, maar als ik er ben, wil ik er zitten, daar is het mijn tafeltje voor. De laatste meters naar het café leg ik dan ook altijd hollend af; stel je voor dat mijn tafeltje bezet is.

Dat was het.

Er zat een jonge vrouw aan mijn tafeltje. Ze zat te lezen. Nergens ter wereld vindt je zoveel lezende vrouwen als in Parijs. Alleen daarom al zou ik er willen wonen. Je kunt in de Jardin du Luxembourg zomaar iemand op een bankje treffen die Le Rouge et le Noir van Stendhal zit te lezen. Dat is een boek waar geen Nederlands equivalent van is. Maar in het Vondelpark een meisje met Aagje Wolff en Betje Deken op schoot is ondenkbaar.

Ik bedoel maar.

Het meisje aan mijn tafeltje, ik schatte haar op een jaar of twintig, las een boek van Patrick Modiano. Daar kun je je mee vertonen in Parijs. Een goeie schrijver ook. Uit een van zijn romans herinner ik met het geluid van honderden paarden die in alle vroegte, de nacht hangt nog nevelig tussen de huizen, over een Parijse boulevard richting het slachthuis worden gedreven. Zo’n scene zou je zelf geschreven willen hebben, of beter nog; dat geluid had ik graag zelf gehoord. De hoeven op de keien, het snuiven, het incidentele hinniken.

Enfin.

Het was niet druk in Pierre, dus ik ging aan een ander tafeltje zitten. De dagschotel was vandaag Coq au vin, maar het lunchuur was voorbij. Ik bestelde koffie en een tosti, en sloeg daarna de krant open. Om onduidelijke redenen lees ik Frankrijk altijd Libération, ooit een bijna anarchistisch krantje vol seksadvertenties, maar de laatste jaren een kwakkelend orgaan waar je zelden nieuws in aantreft, en ook geen pikante advertenties meer.

Al bladerend viel mijn oog op de volgende kop: Rumeur Batave. Dat klonk goed. Ik zag de jongens in zwijnenvellen bij Lobith de grens over komen. Wat was het geval? Volgens hardnekkige geruchten in Nederland was Barrack Obama van Nederlandse komaf. Kijk, dat wist ik nou niet, en dat gerucht had mij ook nog niet bereikt. Dat is het mooie van geruchten; sommigen ontgaan je.

Aan de bron van het verhaal treffen we een historicus, ene Koen Verhoeven. Ik moest meteen aan de legendarische voetbalverslaggever Koen Verhoef denken, maar dat was zinloos. Deze historiscus had tijdens tal van omzwervingen in archieven ene Sjoerd Obbema op de kop getikt die in 1870 naar Afrika was gegaan om aldaar een imperium in olie te stichten.

Daarnaast was hij een gedreven “coureur de jupons”, een rokkenjager pur sang, die aan menig nieuw zoontje de naam Obbema had gegeven.

Maar Koen Verhoeven had nog meer pijlen op zijn boog: op allerlei Friese begraafplaatsen was hij op zerken de tekst “Ja, wie kinne” tegen gekomen, duidelijk een voorloper van het beroemde “Yes, we can.” Ik ben zelf een fervente bezoeker van dodenakkers en ik heb Koens tekst nog nimmer ergens zien staan, maar dat terzijde.

Voor de zekerheid las ik het bericht twee keer. Het begon me steeds bekender voor te komen. Had ik het gerucht niet toch al gehoord, maar was ik het alweer vergeten? Ik geloof dat ik toen maar een eenvoudige schaterlach produceerde. Het meisje dat aan mijn tafeltje Modiano zat te lezen keek verbaasd op, maar glimlachte vervolgens lieftallig. Misschien zelfs dat ik haar aan Barrack Obama deed denken.


Deze content is geplaatst in categorie: Berichten.