Pompstationweg, Den Haag

[dropcap]E[/dropcap]en brede laan, de Van Alkemadelaan in Den Haag, met elegante bochten. De laan gaat naar Scheveningen. Langs de Alexanderkazerne, dan de kruising met de Pompstationweg.

Geen pompstation te bekennen.

Wel een oude, machtige watertoren aan het einde van een recht klinkerpad dat door een glooiend stuk duinen loopt en een snackbar; een gele keet met twee vrolijke, roze Fristi-vlaggen. Paviljoen Duinzicht heet de zaak. Maar het mooiste uitzicht is op de muren van de Scheveningse gevangenis verderop.

Enorm, die muren.

Het was een uur of elf. Een keurige dame met haar bril aan een parelketting en een bontje om haar hals bladerde in de Telegraaf. Twee oude mannen zaten aan de gokkast.

Simply Wild.

Super Joker.

De mannen hadden slordig geboetseerde koppen, duidelijke neuzen, rode oogjes achter grote, vette brilleglazen. Mannen die hun morsigheid waardig droegen. Super Joker gaf ratelend wat euro’s prijs. “Het is altijd behelpen,” bromde een van de mannen. De ander knikte. Dat kon je wel zeggen ja, dat het altijd behelpen was. Maar als je volhield, werd je dus beloond.

Er kwam een jongen binnen die bij een schildersbedrijf werkte. Hij had verf op zijn smalle gezicht. De overall slobberde rond zijn dunne lichaam. Hij was er door zijn ploeg op uit gestuurd om broodjes te halen. De bestelling stond op een papiertje. Twee broodjes gebakken ei met kaas. Een broodje osseworst met mosterd, een broodje osseworst zonder mosterd, twee broodjes ham, een broodje oude kaas, een broodje kroket.

“Ik doe de mosterd er in zakjes bij,” zei de uitbater achter zijn kleine toonbank.

Vertwijfeling sloeg toe bij de jongen. Ging er iets mis, kon er iets mis gaan? Hij kwam er niet uit. “Eén osseworst met mosterd,” las hij nogmaals voor van zijn papiertje, “en ééntje zonder mosterd.”

“En de kroket?” vroeg de uitbater.

“De kroket,” herhaalde de jongen. Er klonk wanhoop in zijn stem door. Zijn hele carrière als huisschilder hing aan een zijden draadje. En hij had het al zo moeilijk, iedereen had de pik op hem.

“Ik doe er zes zakjes bij,” zei de uitbater royaal.

De jongen knikte en ging aan een tafeltje zitten. “En een chocomel voor het wachten,” zei hij.

“Koud? Warm?”

“Koud,” zei de jongen. Daarna had hij de pest in. Hij had liever warme chocomel. Maar hij durfde het niet te zeggen. Hij staarde naar de muren van de gevangenis. Het regende buiten. Druppels gleden langs de ramen. Hoe zou het zijn in de gevangenis? De jongen speelde met het peper en zoutstel. Er zat een flesje Maggi bij, en een busje Knorr Aromat, een smaakverfijnende poeder. Hij pakte het busje en rook eraan.

Bij wijze van versiering hingen er drie geplastificeerde voorpagina’s van de Telegraaf aan de wand van de snackbar. De mens op de maan. Triomftocht Oranje. Hartveroverend, Maxima en Alexander. In een hoek stonden parasols op betere tijden te wachten. De oude mannen aan de gokkast boekten weer een kleine overwinning, deze keer op Simply Wild. Munt voor munt, met tegenzin, rolde het geld in het bakje. “Niks geen crisis hè,” zei de oudste van het stel.

“Het gaat lekker zo,” antwoordde de ander, “en het moet nog twaalf uur worden.”

Als bij toverslag zag de dag er ineens oneindig lang en wreed uit. De jonge schilder bij het raam legde zijn hoofd op tafel, naast het peper en zoutstel. Hij had nog een heel leven voor zich. En het moest nog twaalf uur worden.


Deze content is geplaatst in categorie: Berichten.