Schrijven

DOOR LOUIS STILLER

[dropcap]H[/dropcap]et schrijven van een roman, of wat daar voor door gaat, is iets dat mij slecht afgaat, vooral als ik me voorneem er nu eens echt voor te gaan zitten, bijvoorbeeld in alle afzondering op het platteland. Dat voornemen heb ik vele malen ten uitvoer gebracht, maar het heeft me nooit gebracht wat ik wilde, een echte, succesvolle roman. Schrijven is geduld en stilzitten, maar mijn stijl is beweging en haast. Dat staat nogal op gespannen voet. De vorm die ik uiteindelijk gevonden heb, columns en feuilletons, is voor mij de meest ideale, ik ben dan ook blij dat ik kan doen wat ik doe.’

Martin Bril (1959) is schrijver, dichter, publicist en chroniquer van Amsterdam zoals Simon Carmiggelt en Ischa Meijer dat eens waren. De columns die hij vanaf de tweede helft van de jaren negentig schreef voor het Parool deden velen een abonnement op deze krant nemen. Oktober 2001 stapte Martin Bril over naar de Volkskrant om een groter publiek te bereiken. Daarnaast publiceert hij in Vrij Nederland, NRC, Carp en De Morgen. Zijn schrijverschap nam in 1990 serieuse aanvang met zijn prachtige debuutroman Voordewind. Nadien publiceerde hij onder meer de roman Altijd zomer, altijd zondag (1994) de verhalenbundel Het tekort (1998), de dichtbundel Verzameld werk. Gedichten (2001) en diverse bundelingen dan wel bewerkingen van zijn columns en feuilletons waaronder Etalagebenen. Amsterdamse miniaturen (1998), Stadsogen. Nieuwe Amsterdamse miniaturen (1999), Hollandse luchten. Amsterdamse miniaturen (2000), Gloriedagen. Het best! e tot nu toe (2001), Evelien. Een vrouw van nu (2001) en De afsluitdijk en verder (2002). Martin Bril schrijft een tiental stukken per week.

‘In zijn algemeenheid sta ik op het standpunt dat een schrijver zichzelf nooit te kort moet doen en altijd zo moet klinken als hij is. Wat niet vanzelf en makkelijk komt, kan niet echt goed wezen. Een perfect voorbeeld is Remco Campert: al zijn pogingen tot iets anders te komen dan waar hij werkelijk goed in is, hebben niet tot hele goeie boeken geleid. Hij is een man van het terloopse, het achteloze, het zachte; als hij zich tot een roman zet, is het eindresultaat altijd een teleurstelling. Het is nog wel altijd een Campert, het talent schijnt erdoorheen. Schrijven is een kwestie van naturel, vanzelfsprekendheid en gemak. De vorm is wat mij betreft volkomen oninteressant en totaal ondergeschikt aan de stijl en de toon. Het heeft me wel vijftien jaar gekost om dat inzicht te bereiken trouwens, en lange omwegen – via de fles en de dope en de experimentele literatuur en vormexperimenten en weet ik veel. Uiteindelijk is het gewoon een kwestie van beginnen en kijken wat er ge! beurt. Alleen de goeie schrijvers durven dat; zich overleveren aan de eerste zinnen die ze schrijven en dan maar kijken waar ze terecht komen.’

papier

‘Zoals veel collega’s heb ik een zwak voor kantoorboekhandels, papierwinkels en dergelijke. Van Hermans is een mooi verhaal, in Paranoia, over een man die de mooiste soorten papier koopt, maar er nooit gebruik van maakt. Hij schrijft alleen op papier dat al gebruikt is; de achterkant van notulen, de achterkant van enveloppen, enzovoort. Ik heb ook een zwak voor papier en dan vooral voor notitieboekjes, waar ik ook veel gebruik van maak. Boekjes van Spalding uit New York heb ik lange tijd gebruikt tot ze niet meer leverbaar waren, Moleskin-boekjes tot iedereen ze ging gebruiken, en tegenwoordig Monzese-boekjes, handgemaakt uit Italië; leer met een lichtgeel papier en een bruine lijn. Een sjiek boekje. Zo’n boekje heb ik altijd bij me. In de kast staat een rij volle exemplaren die ik als databank gebruik. Ook heb ik altijd wel wat pennen bij me, een hele mooie zilveren Parker uit de Sonnet-reeks, waar ik gelvullingen (zwart medium) in gebruik en een vulpen, ook een P! arker, een klassieke 51 gevuld met olijfgroene inkt. Ik gebruik ook wel eens potloden, maar dat vind ik vermoeiend schrijven, en ook wel eens goedkope Parkers, maar met dezelfde vulling – ze slingeren hier overal rond. Ik schrijf er veel mee ja, onderweg, op lokatie, in de auto – boekjes vol met aantekeningen; af en toe een zin die ik zo kan gebruiken, of een eerste zin waarvan ik weet dat er zo een stukje uit te voorschijn kan rollen. Veel steekwoorden ook, daar heb ik genoeg aan. Maar het echte schrijven doe ik op een tekstverwerker. Ik tik in Word, het liefst in Word 5, maar System 10 ondersteunt dat niet meer. In 1987 kreeg ik mijn eerste tekstverwerker, een Schneider, kort daarop gevolgd door een hele dure, maar onhanteerbare Apple portable, zo groot als de motorkap van een kleine auto, en iets later een Apple Plus met een Image writer. Daar heb ik lang mee gewerkt, in wisselende configuraties en updates, tot ik een Performa nam. Daarnaast heb ik altijd een portable ge! had; zo’n klein grijs laptopje met een bolletje, een G-3, en nu een G- 4 Powerbook, en thuis dan wel op kantoor ook een G-4. Altijd Apple dus. De software heeft geen invloed op het schrijven. Ik delete nauwelijks, ik maak weinig tikfouten, ik cut en paste maar zelden. Lettertypes en pagina-indeling kunnen me niet zoveel schelen. Dat was allemaal anders toen ik nog onzeker en vertwijfeld en zoekend was, dat moet ik erbij zeggen. Hoe onzekerder ik was, hoe meer ik printte bijvoorbeeld. Tegenwoordig print ik nooit meer. Vóór de computer schreef ik op een Underwood Touchmaster 2 die ik ooit bij een verhuizing ben kwijtgeraakt. Ik heb nog gewerkt met doorslagpapier, kopijvellen. Veel tipp-ex ook. Een van de leukste dingen vind ik eigenlijk wel dat ik de digitale revolutie helemaal heb meegemaakt. Maar als het moet kan ik nog steeds op een typemachine werken. Ik heb ook nog steeds de aanslag van iemand die het op een typemachine geleerd heeft; ik sla hard op het toetsenbord. Sinds een aantal jaren koop ik af en toe oude schrijfmachines ! als ik er tegenaan loop, vooral Underwoods en Hermes-machines. Op het Roelof Hartplein zit een man die ze nog reviseert en daar laat ik ze helemaal tip-top in orde maken en dan gaan ze de kast in. Soms schrijf ik er een gedicht op. De liefde voor papier en schrijfwaren heb ik altijd gehad. Hij is nooit echt veranderd, behalve dat ik er steeds meer geld in ben gaan steken.’

inspiratie

‘Ik geloof niet in inspiratie. Ik geloof in het overtikken van het telefoonboek. Als je niet weet wat je moet schrijven, is dat het beste begin. Je komt vanzelf een naam tegen die een belletje laat rinkelen, in je hoofd, in je verbeelding. Tegelijkertijd geloof ik natuurlijk ook weer wel in inspiratie, maar het is niet zaligmakend. Het is erg betrekkelijk. In mijn geval is het zo dat ik graag over niets schrijf, over de wind, of over een bh die toevallig op straat ligt, maar het is vaak makkelijker om ergens naartoe te gaan, een onderwerp op te zoeken; een vergadering van de tweede kamer, een rechtszaak, een persconferentie. Zo’n stukje schrijft zichzelf dan. Inspiratie is voor een ander deel: openstaan. De wereld met open vizier tegemoet treden. Je moet het durven je te laten raken, door dingen waarvan je van te voren niet wist dat ze je zouden raken. Uit het dagelijks leven komt alles wat ik schrijf. Inspiratie is ook: ontspanning, zelfvertrouwen. Niet in paniek raken; ! het goede komt toch wel, de juiste zinnen liggen om de hoek. Ze staan op het punt uit de duisternis te treden. Wachten, jagen, nooit verzaken. Wat betreft grotere verhalen, novelle-achtige teksten en romans – die ontstaan niet echt op een andere manier. Ze vergen wel meer. In principe vertrek je vanuit een paar zinnen, een of twee beelden; wat schrijven is, is kijken hoe ver je durft te gaan. Al schrijvend en vertellend kom je er achter wat je te vertellen hebt. Je weet het van te voren niet.

Schrijven is een kwestie van bewegen, altijd bewegen. Even zitten, even tikken en dan meteen blij opspringen en iets anders gaan doen, rondje lopen, sigaretje roken – tot je weer zit – en dan in 1 keer door. Ik schrijf iedere dag en ken geen spijt. Ik ben in staat om op een dag drie uur achter elkaar schrijven. Dat kan zesduizend, achtduizend woorden opleveren. Maximaal. Minimaal schrijf ik een uur per dag; dat is dan mijn column.

handicap

‘Ik sta vroeg op en werk ‘s ochtends, en aan het einde van de middag, begin van de avond, omdat ik dan moet inleveren bij de krant. ‘s Middags schrijf ik nooit. Ik kan overal werken, dat is een beetje mijn handicap. Jarenlang heb ik koppig geloofd dat het heel belangrijk was om een vaste werkplek te hebben en een vaste opstelling van de benodigdheden voor het schrijven, maar daar ben ik al doende vanaf gevallen. Het maakt mij niet uit of ik in Frankrijk in de tuin zit, in Nederland in een hotel, in een stationsrestauratie, op mijn kantoor, thuis aan de keukentafel, op de Haagse redaktie van de krant. Ik kan het overal en doe het overal. Het prettigst is het wel om aan een leeg bureau te werken, maar als gezegd – eigenlijk maakt het me niets uit. Ik ben verder al schrijvend dol op afleiding; televisie, radio, muziek. Het liefst draai ik muziek die ik heel goed ken, oude bluegrass, country uit de Appalachen, of klassieke muziek, pianostukken van Bach, of moderne dance, beet! je zakkige muziek.

Ik hou van mijn deadlines. Maar ik ben er inmiddels zo aan gewend dat ik me ook ontspannen tot andere, minder deadline-gevoelige stukken kan verhouden. Een opdracht komt binnen bijvoorbeeld, en in plaats van te wachten tot het laatste moment, waar ik erg van heb gehouden, doe ik ’m gewoon als ik tijd en zin heb, eigenlijk nooit meer op het laatste moment. Anders ligt het bij wat je serieus literair werk zou kunnen noemen. Daar heb ik de neiging de deadline steeds op te schuiven en nooit echt te beginnen. Eelke de Jong heeft daar een leuk boek over geschreven, Kantelbeen. Genoemde held neemt zich voor tien pagina’s per dag te schrijven, in een maand heeft hij dan een boek van driehonderd pagina’s. Meteen na het voornemen slaat hij zijn agenda open. Dan stelt hij vast dat er sprake is van ene maand van eenendertig dagen. Heeft ie meteen een dag vrij! Later, na enige dagen te hebben gefaald, stelt ie zich tevreden met een boek van tweehonderdvijftig pagina’s en weer l! ater neemt ie zich voor vijftien pagina’s per dag te schrijven, dan is ie sneller klaar dan geplanned. Het gevolg is dat er uiteindelijk geen boek komt. Daar moet ik altijd erg voor oppassen.’

Citaat:

“Toen ging de deur open en een man die kleiner was dan ik dacht (ook zoiets wat altijd klopt) keek me vanuit een slobberig trainingspak vriendelijk aan. Hij was het. Martin Amis. Hij deed me denken aan een vrouw die op pantoffels over straat gaat om op de hoek sigaretten te kopen. Zijn haar zat goed. We beklommen een trap. Er zat een gat in de hiel van een van zijn sportsokken.” Uit: ‘Snookeren met Martin Amis’ in Het tekort (1998).

download