Schrijvers op tournee

[dropcap]H[/dropcap]et was ergens in het najaar van het jaar 2004 dat Ronald Giphart belde met Bart Chabot om het te vragen of hij zin had mee te gaan op toernee. Chabot zei ja, zonder verder over de consequenties na te denken.

De volgende dag kreeg Chabot een telefoontje van zijn oude vriend Martin Bril, die toevallig in de buurt van Den Haag was. “Over tien minuten ben ik bij je, koffie drinken,” riep Bril vanuit de auto, en verdomd: vijf minuten later stond hij al bij Chabot op de stoep. Terwijl de dichter koffie zette voor de Volkskrant-columnist vertelde hij over het plan van Ronald Giphart waar hij ja tegen had gezegd. “Het bloed kruipt toch waar niet gaan kan, vrees ik.”
“Ik wil ook meedoen,” zei Bril meteen.
“Tsja, daar ga ik niet over,” zei Chabot, “dan moet je bij Giphart zijn.”
De mannen dronken koffie, aten een boterham met pindakaas, bespraken het leven, en de nieuwsteb bandjes uit Engeland, en Bril vertrok weer – om zodra hij de hoek om was vanuit de auto met Ronald Giphart te bellen om te vragen of hij mee kon op toernee; “een duo is leuk Ronald,” argumenteerde hij, “maar three is a crowd.” Daar had Giphart niet van terug, en de zaak was beklonken.

2.
Een paar weken later troffen de heren elkaar bij De Posthoorn in Den Haag. Het regende pijpenstelen, maar binnen wachtte George Visser, van Mojo. “Als jullie maar niet gaan improviseren,” was het eerste wat George zei, om vervolgens van wal te steken over Jules Deelder – die al improviserend van stampvolle zalen tot volkomen lege zalen was afgegleden, de schrik van iedere theaterdirecteur.
“We improviseren niet,” zei Giphart.
“Ik zou niet weten hoe je dat doet, improviseren,” deed Chabot een duit in het zakje.
Bril zweeg: hij moest er werkelijk niet aan denken om te improviseren. Het was hem nu al bijna zwaar te moede.
“Afgesproken dan,” zei George, “En hoe heet het programma?” Hij keek van de een naar de ander, en door naar nummer drie.
“Weten we nog niet.”
“Giphart, Chabot en Bril, zoiets.”
George Visser zag het. “Met Bril,” zei hij. “Dat is geestig, want Ronald en Bart hebben een bril, en Bril niet. Maar hij heet wel Bril.”
“Giphart & Chabot, met Bril, goeie naam,” zei Chabot, en hij dook in een anekdote over Brood en Deelder, speed en kleedkamers met bloed aan de muren. “Hij kon niet shotten hè, Herman, alles zat altijd onder het bloed.”
George Visser trok intussen zijn agenda, en vroeg hoeveel optredens de heren in gedachten hadden.
“Niet teveel,” riep Chabot onmiddellijk, “rustig aan, niet teveel. Twee per week, hooguit.”
De impressario keek bedenkelijk, maar maakte een aantekening in zijn agenda. “Er moet een tekst komen, voor de theaters, anders kunnen we het niet verkopen. Waar gaat het programma over?”
Niemand zei iets.
Daarna dronk George zijn koffie op en stond hij op om te vertrekken. Buiten regende het iets minder. “Volgende week een tekstje en een leuke foto, oké? En denk eraan, niet improviseren!”

3.
“We improviseren wel iets,” zei Giphart een paar dagen later ten kantore van Men At Work in Rotterdam. Ter tafel lag de vraag welk tekstje aan Mojo en de theaters moest worden geleverd. “En daarna maken we even een foto.”
Tijd voor de slappe lach.
En een verkeerde tekst, en een foute foto waarop de betrokkenen scheel kijken, verkeerd haar hebben, elkaars brillen dragen, geen brillen dragen, allemaal een bril – enzovoorts. Intussen rollen de verhalen en roddels en anekdotes over tafel, bij tijd en wijle gerelativeerd door gezinsperikelen – de vakantieplanning van de familie Giphart, de huiselijke besognes van Bart Chabot, de autoverzekering van Bril. Het mag in de verte een beetje op rock&roll lijken, het schrijversleven, in de kern is het burgerlijk en netjes – jawel.
Uiteindelijk gaat een tekst de deur uit die qua meligheid onovertroffen is en waarin de heren zichzelf met Gerard Reve, Homerus en Hannibal vergelijken. “Ja, jongens, als het nu geen storm gaat lopen, weet ik het ook niet meer,” roept Chabot. Het is niet duidelijk of hij het meent of niet, maar gezellig is het wel.

4.
Maanden is het vervolgens stil aan het front en dan komt op een dag het schema van Mojo binnen. Het is mei 2005. Er zijn, tot ieders verbazing, zestig optredens geboekt, in grote zalen, van Leeuwarden tot Vlissingen, van Oldenzaal tot Barendrecht. Ineens zijn er ook problemen – want hoe kom je in Vlissingen als je eerst in Den Haag je kinderen van school moet halen en te eten moet geven?
“Drie uur weg Bart, voor de files, dan ben je er om vijf uur, hapje eten, beetje klooien, optreden, en terug, of blijven slapen.”
“Uitgesloten, ik moet om drie uur de kinderen halen. Ik kan pas om half zeven uit Den Haag vertrekken.”
“Dan kom je mischien op tijd in Barendrecht, maar beslist te laat in Hoogeveen. En Stadskanaal.”
Chabot zet zijn grootste ogen op. Zijn enorme bril vergroot de zaken extra. Hij knikt heftig. Schudt het hoofd. “Ooh ja? te laat? Ja, dat is duidelijk. Te laat. Kut. Te laat. Dat is niet goed. Maar ik kan ook niet eerder weg. En zulke lange afstanden kan ik ook niet alleen rijden. Ik heb een chauffeur nodig.”
“Kun je dan wel eerder weg?”
“Nee, nog niet, shit.” Bart kijkt verslagen naar de grond. “Stadskanaal,” mompelt hij, “dat is ver weg jongens, dat is ver weg.”
Het probleem word uitgediept. Hoe laat uit de Randstad te vertrekken als je in de Lawei in Drachten moet zijn. Vier uur is foute tijd, files. Vijf uur, nog erger. Je moet ook eten. En ter plekke de puntjes op de I zetten. En nog een blokje om om de plaatselijke middenstand te verkennen. Drie uur dus. “Ik ga thuis overleggen,” zucht Chabot.
“Oké jongens, waar gaat ons programma over?” vraagt Giphart, “wat zullen we doen?”
“Ik moet weg,” zegt Bril, “een column maken.”
“Ooh ja, ik ben gevraagd door het AD,” zegt Giphart, “om en om met Jerry Goosens, iedere dag, wat denk jij? Doen?”
“Wat spreken we af?” vraagt Chabot, maar veel verder dan de belofte elkaar te zullen bellen komen de heren niet – Bril heeft zijn agenda niet bij zich, Chabot heeft geen agenda en Giphart heeft een te volle agenda.
“Dat gaat lekker zo.”
“Dat gaat heel lekker inderdaad.”
Goedgemust, maar somber gaan de heren uit elkaar.

5.
Na de zomer zagen de heren elkaar opnieuw, weer in Den Haag, in een restaurant. De eerste voorstellingen en de try-outs waren nu al zichtbaar, nog maar anderhalve maand en het was zo ver. “We moeten aan het werk,” concludeerde Giphart.
“Aan het werk,” echoode Chabot.
“Ik denk dat ik ziek word,” mompelde Bril.
‘Meneer Chabot, ik zag u in de Telegraaf,” zei de ober die langzij kwam om de bestellingen op te nemen. “Wat een schitterend stuk!”
“Wat voor stuk Bart?” vroegen de andere twee heren toen de ober was vertrokken.
Enigzins besmuikt vertelde Chabot dat hij ter gelegenheid van een nieuw seizoen Barend en Van Dorp een interview aan de Telegraaf had gegeven. De kop erboven luidde: “Ik wil iedere dag seks!” “Daar was mijn vrouw inderdaad niet zo blij mee,” concludeerde de dichter.
“Heb jij ook iedere dag seks Bart?”
“Bart! Echt waar!?! Daarom zie je er zo jong uit!”
De eerste running gag was geboren, maar er werden die avond ook afspraken gemaakt: repeteren in een zaaltje in Utrecht, materiaal schrijven, uitzoeken, testen, een regisseur erbij, dag in dag uit, geen pardon. Daarna de Speeldoos in Baarn om een weeklang echt te oefenen, met licht en geluid, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat, al doende de publiciteitsmachine in werking stellend.

6.
Vergeleken met de domme folder die naar de theater was uitgegaan, en op basis waarvan de zalen inderdaad niet uitverkocht waren geraakt, was het eerste media-optreden van het nieuwe trio de overtreffende trap van domheid. Halverwege de drukke werkzaamheden in Utrecht kwamen twee vriendelijke lesbiennes van TV Utrecht langs om een reportage te maken. De dames vielen middenin een opgewonden gesprek over gangbangen, het pornodorp Huls in Zeeuws Vlaanderen en de aldaar opererende slet Babbette. De vriendelijke lesbiennes begonnen vrolijk te filmen, en de heren kwetterden vrolijk verder. Kort daarop waren de dames weer vertrokken – blij met hun mooie reportage.
“Dat was niet echt wervend jongens,” brak Chabot als eerste de ban, “dat was helemaaaaal niet goed. Dat vindt mijn vrouw niet leuk om straks op TV te zien.” Een paar dagen later blijkt dat de band met het gesprek verdwenen is, een veeg teken – die duikt nog wel eens op. Weer iets later, om de overtreffende trap nog evne vol te houden, poseren de drie aanstormende talenten geknield in een weiland als honden. Ze blaffen ook nog, en een strenge, sexy dame rukt aan drie riempjes. Met grote moeite kan voorkomen worden dat die foto de buitenwereld bereikt.
“Begrijp jij nou hoe het komt dat we alledrie het gevoel hebben dat we iets heel doms niet moeten doen en dat we het dan toch doen?” vraagt Giphart aan Bril. Ze zitten op een terras in Culemborg, de zon gaat onder, ze hebben de hondenfoto net gemaakt.
“Jongensdynamiek,” mompelt Bril.
“Daar moeten we dus heel erg voor oppassen,” zegt Giphart.
“Dat is slecht voor mijn imago,” zegt Bril en daarop begint Giphart te schateren.

7.
Dan zitten de heren, jongens dus eigenlijk, als ze niet oppassen, ineens aan de koffie in de Speeldoos te Baarn. Buiten schijnt de zon, het gaat een graad of twintig worden. De Gooi en Eemlander van die maandagochtend meldt dat het theater van Huizen tot de grond toe is afgebrand. Ze scannen hun speellijst voor de komende maanden en stellen teleurgesteld vast dat Huizen er niet op staat. In de zaal werken de regisseur en twee technici aan het lichtplan – het begint nu toch wel serieus te worden. Chabot gooit er nog een paar verhalen over Deelder en Brood tegenaan – die repeteerden nooit, nou ja, vijf minuten, maar het helpt niet – er gaat gewerkt worden.

8.
Wat moet je er van zeggen? Van 10 uur ’s ochtends tot 10 uur ’s avonds is het hollen, voorlezen, uit het hoofd leren, schrappen, schrijven, oefenen en wachten geblazen; vooral dat laatste. Wachten op Chabot, die regelmatig naar Den Haag moet om voor zijn gezin te koken. wachten op Bril die een column moet schrijven, wachten op Giphart die telefoneert, schrijft en regelt: media die te woord moeten worden gestaan, Mojo, het management. Wachten op het licht dat nog niet goed hangt, wachten op nog meer licht en daarna het geluid dat het niet doet, en dan weer wel. “Dat is nieuw voor mij jongens, laptops in de kleedkamer,” meldt Chabot de derde dag, “ik ben spuiten en flessen gewend. Jullie zijn alleen maar aan het werk.” Zelf zit hij als hij even niets hoeft te doen in een aflevering van het blad Uncut te bladeren. “Altijd een rock&roll-blaadje meenemen op tournee. Dat is goed. Het idee dat Johnny Cash en Johnny Rotten en hoe ze ook maar allemaal heten het ook hebben gedaan.” Hij drinkt er heel veel Cola bij. De schaarse vrije tijd die er is, wordt doorgebracht op De Brink van Baarn, op het terras, en op het parkeerterrein van De Speeldoos, in het zonnetje. Maar ook dan gaan de werkzaamheden door – welke overgang is beter; de snelle, de langzame? Moeten de teksten aan elkaar worden gelast, is dit en dat niet te lang, of juist te kort – waar gaat het programma eigenlijk over?
“Ja, jongens, waar gaat het over? Toch niet over mannen op de drempel van hun midlife-crisis, dacht ik zo,” merkt Giphart op, “eerder over mannen op het toppen van hun kunnen, toch?”
“Ik ben moe Ronald.”
“De dood, altijd de dood, maar dan luchtig, eenzaamheid, de liefde, God, dat werk,” roept Chabot uit, “de klassieke thema’s, waar moet het anders over gaan?” Hij heeft zojuist een nieuw gedicht voorgelezen dat hij in de show stilzittend op een krukje gaat voordragen. Alleen al het stilzitten al is een kunst.
“En over seks,” zegt Giphart.
“En over seks ja,” zuchten de beide companen preuts.

9.
“We naderen onvermijdelijk het moment dat we het niet meer terug kunnen,” zegt Chabot op de dag voor de eerste try-out die nagenoeg uitverkocht is dankzij een optreden bij Barend en Van Dorp waar geen van de drie heren iets doms zei. “Ben je al zenuwachtig?”
Bril is zenuwachtig.
“Jongen, dat wordt alleen maar erger, tot het over is,” zegt de oude rot, die zelf ook bijzonder nerveus is.
“Lekker,” zegt Giphart, “ik heb er zin in.” Van alle betrokkenen is hij degene die altijd goede moed heeft. Zien Chabot en Bril er na een week uit alsof ze maanden in een zoutmijn hebben gewerkt, Giphart heeft de looks en het enthousiasme van een kuiken dat net uit het ei is. Inspirerend is het, maar ook een beetje verontrustend.
Er moet gewacht worden op de techniek. Er zitten beamers en computers iin de show, een heel gedonder. De mannen gaan een blokje om in Baarn. De zon schijnt nog steeds. De zomer heeft moeite met het afscheid. Op de Brink in Baarn staan paaltjes met kettingen ertussen. Bril waarschuwt dat er een sportief moment in het verschiet ligt, Giphart wil over de ketting springen, en blijft haken. Met een smak valt hij tegen de grond.
Stilte in Baarn.
Chabot hijst hem overeind. Niets aan de hand. Maar even, toch, hing de hele onderneming aan een zijden draadje. Ze vervolgen hun weg, ze hebben trainingspakken nodig; een tryout in trainingspak, duidelijker kan het niet. Literatuur als sportieve prestatie. Ze eten kroketten en bespreken de slanke lijn, hoewel; mannen hebben het over “een buikje” en vrouwen over de lijn. Chabot is al drie kilo afgevallen deze week. Bril stapt nooit op de weegschaal. Giphart neemt zich voor minder te eten. Ze lopen terug naar De Speeldoos. Ernaast ligt een begraafplaats die ze niet bezoeken. Ze spelen voor het laatst hun voorstelling zonder publiek. De lege zaal begint te vervelen. Niemand lacht, niemand huivert, niemand klapt. Waar doen ze het voor? “Het komt allemaal goed,” zegt Giphart en hij klikt zijn laptop aan om te checken hoe het met de voorverkoop in den lande gaat. Daarna moet er nog iets geschreven worden. Chabot trekt zich terug in zijn kleedkamer, en bladert in een boek over Johnny Cash. “Die gaat de hele toernee mee, dit wordt de tour van Johnnie Cash.”
Bril ligt op de grond en begrijpt niet hoe je vanuit je buik moet ademen. Het schjint meer lucht op te leveren, en daar heb je wat aan.

10.
“Vijf minuten,” zegt Paul, de technicus, en hij checkt nog een laatste keer de zenders en de hoofdmicrofoons. “Veel plezier, veel succes.” En weg is hij.
Het is zo ver.
De zaal zit vol, achter het doek klinkt geroesemoes, verwachtingsvol, alsof de mensen er zin in hebben.
“Dat hebben ze ook Bril, maak je maar geen zorgen,” bromt Chabot, “de mensen willen een leuke avond. En die gaan wij ze geven. Door zelf ook een leuke avond te hebben.”
“Daar gaan we,” zegt Giphart.
“Nog één minuut,” klinkt het. De zaal wordt stil, nog steeds achter het doek. De heren nemen hun posities in en wachten op de muziek die moet gaan schallen.