Stijl is diepgang

[dropcap]E[/dropcap]en van de punten waarop literaire journalistiek zich onderscheidt van traditionele journalistiek, is lengte. Literaire journalisten besteden meer tijd aan hun onderwerpen, en schrijven als gevolg daarvan ook langere artikelen (de meesten schrijven zelfs alleen maar boeken). Een van de uitzonderingen op die regel is columnist Martin Bril, die alweer acht jaar lang bewijst dat je ook als kortebaanschrijver prima uit de voeten kunt binnen het genre.

Je zou hem kunnen beschouwen als de dichter onder de literaire journalisten: iemand die met een paar sterke beelden in zeshonderd woorden evenveel kan vertellen als een ander op een hele pagina. De kunst is natuurlijk wel om die beelden ook te herkennen, en ze later nog eens voor de lezer op te roepen. Maar Bril, die voor zijn column in de Volkskrant dagelijks het land doorkruist, beheerst beide disciplines. Of het nou gaat om de lichaamstaal van een aangeschoten politicus of een opgevangen conversatie in een wegrestaurant, Brils oog en oor voor (licht tragische) situaties zijn onfeilbaar. Daarbij schrijft hij zijn observaties zo mooi op dat ze – net als bijvoorbeeld de reportages van Gerard van Westerloo – ook jaren na dato niets van hun kracht verliezen.

Bril (1959) is een laatbloeier, die pas vlak voor zijn veertigste zijn roeping vond als columnist. Keerpunt in zijn carrière was het proces tegen topcrimineel Johan V., alias de Hakkelaar, waarover hij voor Het Parool een dagelijkse column mocht schrijven. Tot op dat moment was het voor Bril altijd zwoegen geweest als stukjesschrijver voor hetzelfde Parool, HP en Esquire. Hij was als schrijver de journalistiek in gegaan om geld te verdienen, maar een geboren freelancer bleek hij niet. Wat niet echt hielp, was de levensstijl die hij erop na hield. Aan Algemeen Dagblad-verslaggever Hugo Borst legde hij later eens uit hoe een gemiddelde werkdag eruitzag, begin jaren negentig: ‘’s Ochtends vroeg beginnen, tot twaalf uur tikken, dan lunchen. Warm eten. Biefstukje, omeletje, salade. Vier bier d’r bij, twee calvados bij de koffie. Daarna terug naar kantoor. De rest van de middag bellen, ouwehoeren, nog meer bellen, zuipen. Brandy, 103, Southern Comfort. Aan het einde van de dag, onderweg naar huis, nog wat pils, wodka’s uit de vriezer. Thuis eten, om negen uur, halftien naar bed.’

Brils voorliefde voor het leven aan de zelfkant kwam voort uit romantische opvattingen over het kunstenaarschap. Al als jongetje droomde hij van hongeren op zolderkamers, mooie vrouwen, drank en literaire vetes. Dit alles als tegenwicht voor de beklemming die hij ervoer in de talloze karakterloze nieuwbouwwijken waar zijn vader (vertegenwoordiger in waspoeder) het gezin mee naartoe sleepte. Behalve in romantische toekomstplannen zocht de jonge Bril zijn afleiding in boeken. Hij las krankzinnig veel, soms wel vijfentwintig boeken per week, die hij per fiets ophaalde in drie verschillende bibliotheken.

Brils studie filosofie in Groningen (1978-1982) beviel hem maar matig – studeren betekende vooral in de kroeg zitten en boterhammen met pindakaas eten –, maar hij ontmoette er wel geestverwant Dirk van Weelden, die net als hij literaire ambities koesterde. Vijf jaar later zouden ze samen succesvol debuteren met de bundel Arbeidsvitaminen, het ABC van Bril en Van Weelden, een aanstekelijke verzameling verhalen, gedichten, essays, dialogen, moppen, brieven en liedjes (De Bezige Bij). Het duo – inmiddels neergestreken in de Amsterdamse kunstenaarsscene – kreeg ook een column in Het Parool.

Drie jaar later maakte Bril zijn solodebuut met de roman Voordewind, die redelijk werd ontvangen. Maar daarna kwam de klad erin. Zijn tweede roman, Altijd zomer, altijd zondag (1994), een lofzang op huiselijk geluk en de echtelijke liefde, werd vrijwel unaniem afgekraakt. Nog slechter liep het af met de non-fictieroman die Bril vervolgens wilde gaan schrijven over de aanslag op zijn vriend Rob Scholte. Twee jaar lang zat hij in zijn kantoortje in de Amsterdamse Kerkstraat op het project te zwoegen, maar door een gebrek aan afstand en helderheid kwam het boek er nooit.

Vanaf 1997 was Bril echter helemaal terug. Hij stopte met drinken en snuiven, en wierp zich met tomeloze energie op zijn columns, waarin hij verslag deed van kleine gebeurtenissen die hij waarnam tijdens wandelingen door Amsterdam. Het resultaat sloeg zo aan dat Bril weldra uitgroeide tot de meest gevraagde columnist van Nederland. Op een gegeven moment schreef hij tien stukjes (waaronder nu ook columns over popmuziek) per week voor Het Parool, De Morgen, Carp en Vrij Nederland.

Toen een selectie uit Brils Parool-columns enige tijd later werd gebundeld in Etalagebenen, bejubelde Alle Lansu in Het Parool Brils onderkoelde manier van schrijven, droge humor en zijn gevoel voor sferen: Ook de daaropvolgende bundel Het tekort en andere verhalen (1998) werd een succes, al toonde Aleid Truijens zich in de Volkskrant meer onder de indruk van de non-fictiestukken dan van de fictieve verhalen. De eerste noemde ze ‘verschrikkelijk goed. Zeer ontroerend, met precies goed gedoseerde emotie.’

In 2001 schokte Bril de lezers van Het Parool door over te stappen naar de Volkskrant. Het bleek een goede beslissing, want Bril werd nu echt een begrip in Nederland. Ook het niveau van zijn stukken leed niet onder zijn vertrek uit de hoofdstad. Integendeel, zijn nog altijd in razend tempo geproduceerde columns werden alleen maar beter. Zelfs darmkanker kon Brils schrijfdrift niet beteugelen. Gedurende de zesentwintig weken chemotherapie die hij moest ondergaan, verzuimde hij maar twee weken.

Op het moment dat wij hem spraken, kon je geen krant opslaan of Bril stond erin. Was het niet vanwege zijn theatertournee met Bart Chabot en Ronald Giphart, dan wel vanwege een tv-bewerking van Evelien, het succesvolle feuilleton dat hij voor Vrij Nederland schrijft, of een wedstrijd columnschrijven à la Martin Bril in de Volkskrant. Onlangs verscheen ook zijn lang aangekondigde boek over Napoleon, op basis van stukken die hij schreef voor De Morgen.

Hoe vind je onderwerpen voor je columns?
‘Heel eenvoudig: door de agenda’s bij te houden. Ik check ieder weekend de agenda’s van het ANP, de politieke partijen, rechtbanken enzovoort. Dat geeft wel ongeveer aan wat er in een week gaat gebeuren – bomaanslagen daargelaten. En ik knip de kranten van de voorgaande week, ook de regionale. Daar vind ik altijd wel interessante onderwerpen die de Volkskrant nog niet heeft gecoverd. Zo heb ik op zondag meestal wel een beeld van wat ik die week ga doen.’

Over welke onderwerpen schrijf je graag?
‘Het liefst ga ik tegenwoordig naar een bijeenkomst. Een proces, een minister die een lint doorknipt, een brug die wordt geopend. Maar ik heb ook voldoende alternatieven. Hoe langer je dit werk doet, hoe rijker je palet en hoe meer subgenres je tot je beschikking hebt. Soms vertrek ik vanuit een associatie of een gedachte. Een andere keer rijd ik zomaar wat rond en gebruik ik het landschap als invalshoek. Weer een andere keer muziek. Of ik ga een praatje met iemand maken. In mijn Parool-tijd schreef ik ook graag op het randje van het niets. Maakte ik stukjes over een brievenbus, een lantaarnpaal, een buurvrouw die iets uittrok. Die belangstelling dateert al uit mijn middelbareschooltijd. Ik was gek op auteurs als Marguerite Duras, een spookachtige verschijning die gefascineerd was door de leegte en de stilte. Zij kon prachtig schrijven over een tennisbal die heen en weer ging, terwijl men broeierig naar elkaar verlangde. In het begin vond ik dat soort stukjes makkelijker dan tegenwoordig. Ik rijd nu liever naar Zwitserland om te kijken of daar iets gebeurt dan dat ik thuis ga zitten wachten op iets dat misschien niet komt.’

Zijn er ook onderwerpen waarover je niet schrijft?
‘Natuurlijk. Net als iedere journalist houd ik me aan een aantal ongeschreven wetten, anders kun je niet functioneren. Ik kom vaak in perscentrum Nieuwspoort, maar ik schrijf niet alles op wat ik zie. Als ik een column schrijf over de drinkgewoonten van Johan Remkes of over de manier waarop Hans Wiegel daar hof houdt, kom ik Nieuwspoort niet meer in. Zo simpel is het. Ik heb in het begin ook wel akkefietjes gehad. Adriaan van Dis voelde zich ernstig in zijn privacy aangetast toen ik schreef dat ik hem had zien fietsen met twee stronken prei in zijn tas. Jan Mulder werd boos vanwege een column over hem en een vrouw. Daar ben ik dus ook wat voorzichtiger mee geworden. Ik ben er niet op uit om mensen te grazen te nemen. Het is niet zo dat ik mensen aan wie ik een hekel heb ga staan opwachten tot ze met vierentwintig rollen wc-papier de Albert Heijn uit komen. Eigenlijk schrijf ik alleen maar over mensen die ik leuk vind.’

Waar ben je naar op zoek als je naar een bijeenkomst gaat?
‘Doorgaans kom ik niet voor wát er gezegd wordt, zoals Gerard van Westerloo. Ik zit gewoon te kijken tot me iets opvalt, net zoals je dat op een terras doet. Dat kan een uiterlijke eigenaardigheid zijn: de mond van Lousewies van der Laan of de manier waarop Van Aartsen met zijn handen in zijn zakken staat. Maar het kan ook te maken hebben met de sfeer en de dynamiek van de bijeenkomst. De laatste tijd associeer ik ook steeds vrijer. Een bijeenkomst met Wouter Bos kan tegenwoordig ook een stukje opleveren over zijn vrouw of Amsterdam-Noord.’

Maak je aantekeningen of gebruik je een opnameapparaat?
‘Aantekeningen. Ik neem nooit wat op. Want dan moet je zo’n bandje ook uitwerken en dat is bijzonder vervelend. Bovendien schrijf ik veel in de indirecte rede, dus dan steekt het ook niet zo nauw wat er exact gezegd wordt. Als het wel belangrijk is, dan is het een kwestie van goed opletten en snel schrijven. Of de tekst van de bijeenkomst opvragen.’

Hoe zou je je journalistieke persoonlijkheid omschrijven?
‘Ik ben geen goede interviewer. Ik stap niet makkelijk op mensen af, en voor een serieus gesprek moet ik me over mijn schroom heen zetten. In mijn begintijd bij HP en Het Parool probeerde ik dat een beetje te maskeren door andersoortige interviews te maken. Ging ik snookeren met Martin Amis, dat soort dingen. Wat trouwens ook betere antwoorden opleverde, denk ik. Als je zo iemand ondervraagt in een echte interviewsetting, draait hij toch maar zijn standaardriedeltje af. Op de bijeenkomsten die ik bezoek, ben ik graag een beetje onzichtbaar. Ik zit het liefst op de achterste rij. Ik hou er ook niet van als mensen me herkennen. Laatst was ik bij een lezing van Lousewies van der Laan, en toen kwam ze naar me toe en gaf me een hand. Heel vervelend, want dan voel je je toch minder vrij om iets naars over zo iemand te schrijven. Haagse politici zijn daar heel gewiekst in.’

Doe je research voor je columns?
‘Ja, meestal vraag ik van tevoren een mapje op bij de documentatieafdeling van de krant. Ik haat het als de feiten niet kloppen. Zelfs als ik over een brug schrijf, of over een spoorwegovergang of over een weiland. Als er feiten in mijn stukken voorkomen, mag je ervan uitgaan dat ze juist zijn. Als ik schrijf dat ik gisteren iemand op straat zag huilen, was dat ook gisteren en niet eergisteren.’

Iets verzinnen is uit den boze?
‘Ja. Je kunt ook niet over bestaande figuren fantaseren. Je kunt ze geen dingen laten denken die ze niet denken en je kunt ze geen dingen laten zeggen die ze niet hebben gezegd. Het enige wat je kunt doen, is dingen aan die mensen waarnemen die zijzelf en anderen nog niet hebben waargenomen.’

Hoe ziet een gemiddelde werkdag eruit voor jou?
‘Ik schrijf tegenwoordig van maandag tot en met vrijdag. Gewoonlijk ga ik om tien uur van huis, als de files zijn opgelost, en probeer ik rond vier uur weer terug te zijn. Maar als ik bijvoorbeeld naar Groningen moet, blijf ik ook wel eens slapen en pik ik op de terugweg een stukje mee in Zwolle of Noord-Holland. De meeste columns ontstaan op de terugweg in de auto. Niet dat ik daar heel bewust mee bezig ben, het gebeurt gewoon. Als ik thuiskom, ga ik zitten en tik ik ze in anderhalf uur op.’

Het gebeurt nooit dat er dan niets komt?
‘Nee, nooit. Het is gewoon een kwestie van beginnen met de eerste zin. Of met de tweede zin als je de eerste niet weet. En daar wals je het stukje uit tevoorschijn. Het is een soort afpellen.’

Het klinkt makkelijk.
‘Ja, maar vergeet niet dat ik heel lang heb geoefend voor ik die columns zo snel opschreef. Ik ben ook de hele dag met zo’n stukje bezig, al zit ik dan niet voortdurend achter de computer. En in mijn achterhoofd denk ik alweer aan de volgende column. Mijn hele leven is ingericht rond die columns. In die zin is het helemaal niet zo eenvoudig.’

Lees je je zinnen hardop voor?
‘Nee, maar ik ben ook gewend aan mijn eigen stijl, dus ik weet hoe het klinkt. Dat hoeft dus niet.’

Hoe noem je het genre dat jij bedrijft?
‘Gemakshalve is het het beste om het literaire non-fictie te noemen. Zelf zou ik zeggen: het is gewoon goed schrijven.’

Wat is dat dan, goed schrijven?
‘Alles draait om stijl. Norman Mailer heeft eens geschreven: “Style after all is revelation.” Daar ben ik het helemaal mee eens. Wel grappig trouwens dat Mailer dat heeft gezegd, omdat hij zelf helemaal geen stylist is. Die man schrijft als een motorzaag. Maar dat maakt niet uit. Wat hij bedoelt is dat stijl altijd meer aan het licht brengt dan je denkt. Goede schrijvers weten niet wat er tevoorschijn komt als ze gaan schrijven, die kunnen zichzelf verrassen met een zin. En die zinnen waarvan je niet wist dat ze je in je had – ware zinnen noem ik ze altijd –, dat is de kern van schrijven, of je nou fictie schrijft of non-fictie. Non-fictieschrijvers baseren zich op de bestaande wereld, maar als het goed is ontstaat er óók altijd een nieuwe wereld. Dat is namelijk wat een goed boek is: een nieuwe wereld.’

Leidt een mooie stijl alleen niet tot oppervlakkige stukken?
‘Nee. Stijl is diepgang. De door mij bewonderde E.B. White heeft eens gezegd dat een eerlijke, oprechte keus van woorden noodzakelijk tot inzichten leidt. Niet alleen bij de schrijver, maar ook bij de lezer. Dat is een bijna metafysische uitspraak van hem, een morele uitspraak ook, maar ik denk dat-ie klopt.’

Hoe heeft jouw stijl zich in de loop der jaren ontwikkeld?
‘Ik ben nu een jaar of acht met die columns bezig, en als ik het vroege werk teruglees vind ik het een beetje stijf en stram. Het werk van nu is veel zwieriger. Vroeger was het borduren of punniken, en nu is het een soort schilderen geworden. Met een paar ferme strepen een beeld neerzetten. Al blijft de kunst natuurlijk wel om de juiste streep te zetten. Haha.’

Van jou wordt ook altijd gezegd dat je zo goed bent omdat je zo scherp kunt observeren.
‘Ja, vooral in het begin, toen ik die stukjes over de Hakkelaar schreef, kreeg ik dat vaak te horen. Ik vond dat een raar compliment, want ik zie niet meer dan iemand anders. Bij zo’n proces verveel je je al snel, en dan dwalen je ogen vanzelf af naar iemands wijkende haarlijn of naar zijn schoenen of dat soort dingen. De kunst is alleen om zo’n observatie ook goed op te schrijven. Ik kan met een houding of oogopslag iets doen wat anderen niet kunnen.’

Kun je goed schrijven leren?
‘Goed schrijven vereist talent. Je kunt schrijven of je kunt het niet. Maar je moet ook de kans krijgen om dat talent te ontwikkelen. Schrijven bestaat ook voor een belangrijk deel uit het vinden van je vorm en van je geluid. En daar gaat veel meer tijd overheen dan je denkt. Het duurt vrij lang voor je weet welke registers je kunt bespelen. Wat je wel en wat je niet kunt. Misschien zijn er wel mensen met hetzelfde talent als ik die die mogelijkheden niet hebben gehad.’

Wat doe je het liefst: op pad gaan of schrijven?
‘Schrijven. Alles draait om het schrijven, niet om wat ik meemaak op zo’n dag. Eigenlijk weet ik niet eens precies wat ik heb gedacht of meegemaakt tot ik begin te schrijven. Dan valt alles op zijn plaats. Tot die tijd is het een soort sub zero-onderneming. Pas als ik schrijf, kom ik tot leven.’

Welke toon streef je na?
‘Dat hangt een beetje van de column af. Maar over het algemeen streef ik naar een J.J. Cale-achtige toon. Klein en precies, maar wel swingend. Een zekere mildheid is mij ook niet vreemd. Dat zit in mijn karakter en past ook wel bij wat ik doe. Ik kan niet iedere ochtend op Youp van ’t Hek-achtige wijze van leer trekken. Dat is niet mijn taak. Ik vind opwinding ook niet zo vruchtbaar. Het leidt meestal tot weinig.’

Hoe wil je zelf aanwezig zijn in je stukken?
‘Ik heb het woordje ‘‘ik’’ jarenlang vermeden. Het kost jaren voordat je dat woord kunt gebruiken in de krant. Tegenwoordig doe ik het wel eens, maar nog steeds met grote terughoudendheid. Ik ben geneigd mezelf als een doorgeefluik te zien. De mensen zitten niet op mijn sores te wachten.’

Denk je bij het schrijven na over je lezers?
‘Jawel, maar nooit in de zin van: “O, dit vinden ze niks”, of “O, dit vinden ze geweldig.” Dat heeft ook geen zin, want als ik mijn lezers ontmoet tijdens mijn optredens met Giphart en Chabot, blijkt keer op keer dat ze toch altijd lezen wat ze willen lezen. Doordat je elke dag in de krant staat, denken ze dat ze je heel goed kennen. Soms weten ze zeker dat jij je die dag kut voelde, terwijl er niks aan de hand was.’

Ben jij als schrijver op zoek naar de waarheid?
‘Absoluut. Het is voor mij van essentieel belang dat de observaties die ik doe waar zijn. Als ik aan iemand een eigenaardigheid ontdek en ik schrijf daarover, dan moet de observatie kloppen. Die moet in essentie waar zijn.’

Maar wat voor jou waar is, is dat toch niet voor iedereen?
‘Jawel, dat denk ik wel. Ik doe een observatie, maar door hem op te schrijven maak ik hem waar en algemeen geldig. Over Wouter Bos heb ik bijvoorbeeld eens geschreven dat hij zo graag onder de mensen is dat hij eigenlijk het liefst de hele dag met een tank vol warme chocolademelk door de binnenstad van Tilburg loopt. Een goede schrijver kan zo’n observatie zo verwoorden dat die waar wordt. Maar alleen als de observatie juist is, en zijn intenties positief zijn. Het klinkt wollig, maar goed schrijven is op de een of andere manier altijd positief. Schrijvers als E.B. White en Joseph Mitchell gingen in de kern altijd uit van het goede. Wie met een negatieve instelling schrijft, plaatst zichzelf tussen het stuk en de lezer. Goed schrijven is als glas: je zit er zelf niet in, je intuïtie klopt en het schrijven bewijst dat het klopt.’

Intuïtie is iets wat jij hoog inschat?
‘Ja. Verstand is eigenlijk geen zegen in het schrijven. Je kunt beter wat minder verstand hebben en meer intuïtie dan andersom. Wie te veel verstand heeft, schrijft al snel wat hij denkt. En de mensen denken liever zelf, dus het is verstandiger om ze iets te geven waarover ze zelf moeten nadenken. In die zin acht ik intuïtie hoger dan denken, hoewel je natuurlijk altijd moet blijven denken.’

Mensen vinden dus nooit dat je er maar op los kletst?
‘Dat lijkt me sterk. Dat lijkt me bijzonder sterk. Nee, dat denk ik niet, nee. Als ik het echt heel goed opschrijf, dan kun je dat niet denken. Wouter Bos vindt het bijvoorbeeld ook helemaal niet leuk wat ik over hem schrijf. Dat is wel een teken dat ik op het juiste spoor zit.’

Dus met een uitspraak als ‘We liegen de waarheid’ van Martin van Amerongen kun jij weinig?
‘Typische Van Amerongen-uitspraak… Nee, ik ben het alweer eens met E.B. White, die zei dat je als schrijver niet kunt liegen. Als puntje bij paaltje komt, is het ware werk niet gelogen. Dat kan niet, dat pikken mensen niet. Zeker niet in ons vak, al denk ik dat voor fictie hetzelfde geldt.’

Wie zijn je literaire voorbeelden?
‘White en Mitchell heb ik al genoemd. White bewonder ik omdat hij een heel zuivere stylist is. Bijzonder zuiver en tegelijkertijd licht, maar toch met veel diepgang en humor. Zijn werk is doordacht, bijna cerebraal. Eigenlijk houd ik daar niet van, maar in zijn geval zit het zo goed in elkaar dat je niet eens meer ziet dat hij erover na heeft gedacht. En Mitchell is gewoon een uitstekende verslaggever. In de zin van: gaan praten met mensen in cafés en op vismarkten, en dat dan goed opschrijven. Echt heel erg goed opschrijven. Met enorme understatements, met lichte ironie, en met veel compassie. Ook Joan Didion vind ik erg goed, met name haar meest recente boek, Het jaar van magisch denken. Ik lees haar al twintig jaar, omdat ze een van de laatste goede linkse politiek commentatoren in Amerika is, en een geweldige verslaggever. Zij is ook iemand die altijd op het randje heeft geopereerd van lyrisch en cerebraal. Tot haar man John Gregory Dunne overleed, en ze als reactie daarop dat laatste boek heeft geschreven. Daarin zie je het opeens allemaal op zijn plaats vallen: scherp, heel scherp denken en heel scherp voelen. Het is een waar boek, erg knap en ontroerend om te lezen. Maar goed, daar staan wel veertig jaar wachten tegenover. Plus een dode echtgenoot.’

Welke Nederlandse non-fictieschrijvers vind je goed?
‘Ik vind Joris van Casteren een groot talent, maar die moet nog leren dat hij ook op goede onderwerpen moet gaan zitten. Annejet van der Zijl kan geweldig schrijven, en De graanrepubliek van Frank Westerman vind ik een heel goed boek. Je ziet hier en daar bij de kranten ook wel talent. Bert Wagendorp is een goede sportjournalist, en ook een goede schrijver in his own right. Frits Abrahams? Vind ik ook goed, ja. Het is heel “af” wat hij schrijft. Puntig en rond, heel Carmiggelt-achtig eigenlijk. Al vind ik het jammer dat hij bijna nooit ergens heen gaat.’

Waarom doet non-fictie het momenteel zo goed in Nederland, denk je?
‘Tja. Als ik kijk naar mezelf, ben ik rond mijn veertigste ook opgehouden met fictie lezen. Fictie is iets voor pubers en vrouwen. Als je ouder wordt, ga je echte boeken lezen: klassiekers en boeken waar je iets van opsteekt. Je wilt je schaarse tijd goed besteden. Ik denk dat de vergrijzing ook wel een rol speelt. En het heeft ook gewoon met de kwaliteit van de boeken te maken.’

Hoe komt het dat er opeens zoveel goede boeken verschijnen?
‘Ik denk dat het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten daarin een grote rol heeft gespeeld. Tien of vijftien jaar geleden was het bijna onmogelijk om een groot non-fictieboek te financieren. Nu kan dat wel. Annejet van der Zijl had haar eerste boeken nooit kunnen schrijven zonder subsidie. Daarna kon ze op eigen kracht Sonny Boy schrijven. Als je een keer een bestseller hebt, dan heb je die dynamiek. En we hebben momenteel ook een generatie auteurs die zijn pappenheimers kent. De mensen die nu bestsellers schrijven – Van der Zijl, Lieve Joris – bouwen voort op het fundament dat in de jaren zeventig is gelegd door mensen als Eelke de Jong, Martin Schouten, Armando en Sleutelaar. Vooral bij HP kon toen veel. Destijds was literaire non-fictie een tijdschriftengenre; nu is het meer een boekengenre geworden.’

© Han Ceelen & Jeroen van Bergeijk

download