Terug in de Volkskrant

[dropcap]W[/dropcap]ekenlang heb ik na kunnen denken over de eerste zin van dit stukje. Goedemorgen, ik ben terug. Dat leek me wel wat. Gevolgd door: en mijn oude vijand ook. Ik dacht dat ik hem zes jaar geleden had verslagen, maar niet dus. Hij heeft me weer te grazen genomen.

Kanker.

In juni werd het ontdekt en de hele zomer ben ik onder de pannen geweest met een chemokuur die me behoorlijk van de kaart heeft geveegd. Ik heb nog net wat haar, maar dat is het dan ook wel.”

Zo wilde ik beginnen.

Maar de dag is er niet naar. Deze zondag is zacht en stil. Een perfecte dag, zou ik bijna zeggen. De zon schijnt verlegen en uit het westen komen wolken die niet goed weten wat de bedoeling is. Moeten ze blijven hangen, of hun weg vervolgen?

Vanochtend stond ik aan de oevers van het Nieuwe Meer. Er hing een dunne nevel over het glanzende, bruingroene water. Het hoge gras rond mijn voeten was nat.

Ik kon natuurlijk aan de dood denken, maar ook aan Jane Austen die de volgende woorden heeft geschreven: “A mind lively and at ease with itself is content to look at nothing and that nothing will always answer back.”

Ik dacht dus aan Jane Austen.

Eerlijk gezegd: ik heb nooit iets van Jane gelezen. Als ik aan haar denk, hoor ik het ruisen en ritselen van prachtige jurken. Dat is alles. Plus bovenstaande woorden dus, en die vond ik in een verhaal van de Ierse schrijver John McGahern, Creatures of the Earth, en dat gaat over een lieve weduwe met een kat.

Op een dag wordt die kat, het enige dat ze nog heeft, door twee passerende hillbiliies meegenomen en op een verschrikkelijke manier gedood. De details zal ik u besparen, en ik ken ze ook niet, want toen ik aan zag komen wat de klootzakken met het dier van plan waren, sloeg ik een paar pagina’s over. Ik kan niet zo veel hebben, dezer dagen. Bij het minste geringste springen de tranen me in de ogen. Maar dat terzijde.

Terug naar Jane Austen.

Aan haar woorden dacht ik terwijl ik naar het Nieuwe Meer keek. Was mijn geest levendig en op z’n gemak, dat was de vraag. Oog in oog met al dat water leek die vraag ineens heel pregnant. Het was niets, dat meer met al dat water, voor mij bevatte het geen verhalen, maar toch wilde ik dat het tegen me sprak.

Ik zag een fuut kopje onder gaan, aan de overkant startte iemand met moeite de motor van een boot. Het sputterende geknetter kwam langzaam mijn kant op. Op een paal iets verderop zat een aalscholver zijn veren op orde te brengen. Het leven was goed. Ik draaide me om, de zon warmde mijn gezicht.

“Je krijgt natte voeten,” riep ik tegen mijn vrouw die op dunne schoenen naar mij onderweg was. Ze hield in, en samen liepen we naar een bruggetje met een reling die geknipt was om even op te zitten.

We zaten er nog niet of een man in een smerig blauw trainingspak kwam voorbij. “Een fijn plekje hè,” zei hij, “daar zit ik ook altijd.” En hij ging naast ons zitten. In zijn nek zat een duif.

“Kijk,” zei de man. Hij greep de duif vast en gooide hem weg, richting het water. De duif strekte zijn vleugels en vloog. “Nou doet ie een rondje en dan komt ie terug,” zei de man.

We keken naar de duif die een rondje vloog en landde op het hoofd van de man, door diens woeste blonde haar wandelde en zich nestelde in de capuchon van het trainingspak.

“Kom,” zei ik tegen mijn vrouw, “we gaan.” We stonden op en liepen weg van de brug en de man, richting de Bosbaan.

De roeiboten lagen in het water, de populieren stonden er hoog en machtig bij, nog helemaal groen. Hardlopers en echtparen met hun hond bepaalden verder het beeld. Het parkeerterrein was al vol. Iedereen was gezond en blij met de dag die mooi en memorabel ging worden, de laatste mooie dag van de zomer, een toegift.

download


Deze content is geplaatst in categorie: Berichten.