Tien Geboden

[dropcap]M[/dropcap]artin Bril (Utrecht, 1959) is columnist, dichter en schrijver. Lange tijd was hij ‘dolende’, maar in 1997 vond hij zijn plaats als ‘stukjesschrijver’ bij Het Parool. Kort nadat hij in 2001 overstapte naar de Volkskrant werd hij ziek. Darmkanker. Chemokuur of niet, Bril werkte door. Schreef zijn columns en zijn boeken. Onlangs werd ‘Gelukkig Niet’ – verzamelde belevenissen van ‘Evelien’ uit Vrij Nederland – door Prometheus uitgegeven. En nu, belooft Bril, doet hij het even rustig aan.

door Arjan Visser

1.Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben.

,,Ik wist het al veel eerder, maar die keer viel het muntje hard en helder: ik sta er alleen voor. Ik lag in het ziekenhuis, had kanker en werd overspoeld door een gevoel van eenzaamheid. Waarom ik? Waarom nu? Waarom moet mij dit overkomen? Op dat moment heb ik mij tot God gericht, daar schaam ik mij helemaal niet voor. Goed, misschien dacht ik ook ‘baat het niet, dan schaadt het niet’, maar toch: het was een moment van overgave. Van verzoening. Met handen vouwen en neerknielen op het koude zeil heeft dat niets te maken, wat telt is de diepte van het ogenblik. Door te bidden kon ik mij verzoenen met mijn eenzaamheid. D r gaat het om. Alles draait om verzoening in dit leven. Het is zoals het is. Dat moet je zien te accepteren.”

2. Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is.

,,Natuurlijk wil ik aanbeden worden! Ik wil bewonderd worden, op handen gedragen worden, prijzen winnen – de hele rotzooi, maar het is niet goed om daarmee te koop te lopen. Bovendien is het een verkeerde drijfveer. Roem is een bijkomstigheid. Het streelt mijn ego en het is goed voor mijn humeur – ik gedraag mij anders als ik word omringd door bewonderaars dan wanneer ik iedere dag in het gezelschap verkeer van mensen die met zure gezichten zwijgend hun boterham met kaas naar binnen werken – maar dat zegt niets over waarom ik doe wat ik doe. Ik doe het omdat ik iets goeds wil maken. En waarom wil ik iets goeds maken? Omdat ik het kan. Snap je? A man’s gotta do, what he’s gotta do. Het is klein, zo voorbij, maar dat neemt niet weg dat ik mij tot het uiterste zal inspannen om goed werk te leveren. Als je kunt vissen, dan wil je ook iets vangen.”

3. Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken.

,,Ik heb een hekel aan woorden als klootzak of kankerhoer. Ik zeg liever oliebol. Of koekenbakker. En echt vloeken . . . ik ben moeilijk kwaad te krijgen, ben slecht in ruziemaken. Dat is een nare eigenschap, want het lucht zo heerlijk op. Zeggen ze. Als het toch een keer zo ver komt, kan ik twee dingen doen: jammeren of vloeken. En dan kies ik er uiteindelijk toch voor om Gods naam te gebruiken. Interessant eigenlijk . . . als woorden tekortschieten, is alleen Gods naam er nog. Wat moet je anders roepen? Moeder? Moeder tatoeëer je op je borst. Ik heb er nog altijd spijt van dat ik dat nooit heb laten doen. Prachtig! Moeder. Met zo’n groot rood hart erbij. Moeders zijn de mooiste vrouwen die ik ken. Met vaders heb ik niet veel. Vaders zijn er zelden. Die gaan naar kantoor of zitten in de auto. Ze bewonen een ander universum. Ik hou niet van mannen. Ik ben een vrouwenman. Ik heb altijd een vrouw willen zijn. Vrouwen kunnen praten over kleinigheden. Over hun kleren, of over de boodschappen die ze hebben gehaald bij Albert Heijn. Ze zijn de meesteressen van de trivia – waar volgens mij de diepere kern der dingen ligt.”

4. Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen.

,,Zondag is een prachtige dag om het land in te gaan, om ’s ochtends vroeg naar Overijssel te rijden en te zien hoe ze in Ommen ter kerke gaan. Maar als ik daar sta, krijg ik heimwee. Waarom maak ik hier geen deel van uit? Kijk, daar gaan ze. De kinderen hebben hun haar gekamd, ze dragen zondagse kleren en hebben een pepermuntje op zak. Na de dienst gaan ze misschien nog even napraten met de ouderlingen in het bijgebouwtje. Koffie, cake. Dan een wandeling. Aardappels schillen. ‘Studio Sport’. . . Waarom is mij dat niet gegeven? Ik kan het wel beschrijven, ik kan een ander troosten met mijn beschouwingen – zo mooi en vanzelfsprekend kan het leven zijn – maar de prijs die ik daarvoor betaal, is dat ik er zelf geen deel van uit kan maken. Ik kan dat gevoel niet vasthouden. Voor mij is het over zodra ik het heb opgeschreven.”

[oorspronkelijke afbeelding verdwenen]

[oorspronkelijke afbeelding verdwenen]

5. Eer uw vader en uw moeder.

,,Ik heb een zorgzame moeder. Ik heb vooral goede herinneringen aan de momenten waarop wij samen waren; toen mijn zus en mijn broers nog niet geboren waren. Mijn jongste broer is een nakomertje dus die heeft het laatste beetje aandacht weggekaapt. Met mijn vader had ik een getroebleerde verhouding, al zou ik je niet eens kunnen zeggen hoe dat nou precies kwam. Hij was, door zijn werk als handelsreiziger, frequent afwezig en ls hij er was, was hij moe en chagrijnig. Wie daar iets van zei, werd gecorrigeerd. Hij kon zeer driftig zijn. Een grote, sterke man. Maar hij was ook gul, hartelijk, charmant, goed met serveersters. Een man van de weg hè, net als ik eigenlijk. Misschien lijk ik te veel op hem . . . Heb jij wel eens zo’n man-tot-man-gesprek met je vader gehad? Ik niet. Hoe komt dat nou? Dat moet toch iets te maken hebben met onze onwaarschijnlijk ingewikkelde relatie.”
,,Ik moest mij, als oudste, uit het milieu losmaken. Ik koos voor een studie filosofie. Het lukte mij om de instemming van mijn ouders te krijgen, maar ik heb mij lange tijd niet gesteund, niet geaccepteerd gevoeld. Het is eigenlijk pas goed gekomen toen ik voor Het Parool begon te werken. Toen pas, ja. Ik ben heel lang, tot het midden van de jaren negentig, dolende geweest.”
,,Ik vind het nu wel een vrolijke gebeurtenis om over mijn ouders na te denken. Ik kan ze, sinds ik zelf kinderen heb, ook beter begrijpen. Een van de dingen waar ik, tot ver in mijn studententijd, last van heb gehad is schaamte. Ik schaamde mij voor mijn ouders. Mijn vader maakte te veel herrie en mijn moeder sprak Fries, in plaats van Nederlands. Inmiddels weet ik hoe het voelt ; ik mag van mijn kinderen niet eens zingen op de fiets. Laatst deden ze mee met de Avondvierdaagse. Ik had ze afgezet in het Amsterdamse bos en dacht: kan ik mooi even gaan hengelen. Kwam die kudde kinderen ineens langs: ‘Hé, kijk nou, je vader! Jongens, moet je eens kijken wie daar staat te vissen!’ Ze schaamden zich dood. Oké, ze zijn ook wel eens trots op me, maar ik kan moeilijk inschatten in welke mate. Ze stellen het in ieder geval niet langer op prijs dat ik over hen schrijf. Tot ze een jaar of zes, zeven waren kon ik conversaties letterlijk in de krant zetten. Nu moet ik er flink aan sleutelen, want het is te mooi materiaal om niet te gebruiken.”
,,Ik vind het wel moeilijk hoor, kinderen. Ik weet ook niet zo goed wat ik met ze moet doen. Naar paardrijles brengen. En naar feestjes. Het gezin is een gigantische onderneming, we komen nauwelijks aan andere dingen toe. Mijn ouders klagen daar ook over. ‘Waarom komen jullie nooit? We zien jullie te weinig!’ Ik begrijp het wel. Het is logisch dat een ouder, in de buurt van zijn of haar kind, steeds weer in die ouderrol schiet, net zoals het kind – zelfs als hij een volwassen man is geworden – de kindrol voor zijn rekening neemt, maar de verhoudingen zijn nu eenmaal veranderd. Ik wilde niet tot in lengte van dagen het kind blijven dat doet wat zijn ouders van hem verlangen. Zoals ik het jou nu vertel, heb ik het tegen hen nooit gezegd, maar rond mijn vijfendertigste vond ik het nodig om paar stappen terug te doen. Een beetje distantie. Gek genoeg heb ik, door het nemen van die afstand, meer aansluiting gevonden. Misschien dat het gesprek met mijn vader er alsnog komt.”

6. Gij zult niet doodslaan.

,,Ik zit niet te springen om naar een oorlog uitgezonden te worden, maar ik zou er wel graag een keer één verslaan. Kijken wat er gebeurt, mijn angst onder ogen zien, weten waartoe ik, als schrijver, in staat ben. Ik heb niks met geweld – daar heeft het niets mee te maken – maar het is een onderwerp waarover ik nog niet heb geschreven. Ik zou er ook voor kunnen kiezen om een jaar over Parijs te schrijven. Of over Geldermalsen. Wat dat betreft is het leven voor mij een mer à boire.”

7. Gij zult niet echtbreken.

,,Nooit geweten dat het zo moeilijk is om getrouwd te zijn. Ik doe mijn best, ben graag thuis, ga nooit weg, denk aan niks anders en toch . . . Ik heb een ander bioritme dan mijn gezin. Ik heb geprobeerd dat ritme aan mijn vrouw en dochters op te leggen en nu zijn ze me zat, dat snap ik wel. Ze lijden onder mijn onrust. Ik kan mijn gezin wel onderhouden – ik weet hoe ik hen kan fêteren – maar ik ben er niet in geslaagd hen het geluk te brengen dat ik in gedachten had. Het is voor mij een enorme nederlaag, onverteerbaar. Ik hunker naar het gewone, het normale, het natuurlijke, het logische, het vanzelfsprekende, maar het lijkt zich allemaal buiten mijn greep te bevinden. Dat kan zo niet doorgaan. Ik heb sterk de indruk dat ik mijn vrouw ongelukkig heb gemaakt. En dat was natuurlijk niet de bedoeling. Ik heb steeds gedacht: aan mij ligt het niet, maar ik ben nu wel tot het inzicht gekomen dat ik kennelijk iemand ben met wie het moeilijk leven is.”
,,We hebben ook een raar jaar achter de rug: ik ben ziek geweest en het was geen griepje. Ik heb zesentwintig weken lang chemokuur gedaan. Als ik naar de aderen op mijn handen kijk, denk ik aan die vieze infusen. Een gedeelte van die periode zaten we in Frankrijk, gewoon, omdat ik een maniak ben en zei: wij gaan op vakantie, niks aan de hand. Dus vloog ik op zondagavond terug naar Amsterdam, lag maandagochtend aan het infuus en zat ’s middags weer in het vliegtuig terug. Doorwerken. Doorgaan. Tot we in augustus met het hele circus, de kat, de hond, weer terugkwamen en ik vanwege een complicatie moest worden opgenomen. Ik mankeerde eigenlijk niets, had alleen maar pijn. Prachtig weer, ramen open, iedereen vrolijk, Surinaams eten, veel bezoek. De laatste tien weken chemo waren zwaar, heel zwaar. Maar ik moest door. Ik was net bij de Volkskrant begonnen en dacht: als ik er nu uitstap, nemen ze iemand anders, blijkt Giphart het ineens óók te kunnen. Angst, onzekerheid. Dus doorwerken: boek schrijven, en nog een boek. Dat moest een keer misgaan. Het schijnt dat de meeste mensen naar praatgroepen gaan, of het een tijdje rustiger aan doen. Ik had niet zo hysterisch moeten doorwerken. Dat was voor alle partijen beter geweest.”
Ik geef het niet zomaar op, we zullen door de kinderen ook nooit echt uit elkaar gaan, maar ik denk wel eens: hoe moet het verder? Ik begrijp wel waarom ze soms roept dat ik moet ophoepelen, maar ik heb haar nodig. Ik heb het nodig om ergens thuis te zijn. Ik zal niet in de goot belanden, maar voor je het weet zit je iedere avond aan de witte bonen in tomatensaus.”

8. Gij zult niet stelen.

,,Drugs, alcohol, gokken, hoeren – ik deed alles om mezelf walgelijk en smerig te voelen. Waarom? Ik weet het niet. Ik was achttien, negentien en ging het huis uit. Ik wilde de beklemming van het burgerlijk bestaan ontvluchten en de bakens waarop ik mij oriënteerde waren de romantiek, lang haar, cowboylaarzen en rock-‘n-roll; alles wat ik thuis niet had. Daar maakte ik een studie van; ik las de bijbehorende literatuur en luisterde naar niets ander dan de blues. Het leven is een tranendal en de zelfkant is daarvan de fysieke vorm. Als je eenmaal tot dat inzicht bent gekomen, maak je er nog geen deel van uit, maar je leert er wel een bepaald soort respect voor op te brengen. Als welopgevoede, gereformeerde burgermanszoon voelde ik mij ongelooflijk aangetrokken tot het kwade. Boeven, dieven, schuinsmarcheerders. In de goot leven de mensen die alles doen wat God verboden heeft. Dat wilde ik ook – maar toch ook niet. Ik ben er nooit helemaal ingedoken – ik bleef mijn geld verdienen – maar mijn drank- en drugsverslaving nam geleidelijk grote vormen aan. Ik voelde wel aankomen dat het op een dag mis zou gaan, maar kon er niet mee stoppen.”
,,Zes jaar geleden bereikte ik het punt waarop ik niet meer verder kon. Ik deed mijn werk niet goed, mijn vrouw wilde mij niet langer in huis hebben . . . einde verhaal. Ik werd gedwongen mijn leven op orde te brengen. Dat is gelukt, al dringt het nu ook tot me door dat ik mij, wat de sociale omgang betreft – ik drink niet meer, dus dat betekent ook: minder gezelligheid, geen geduld meer voor slap ouwehoeren – misschien teveel heb ontzegd . . . ik weet het niet. Ik wil uitvinden in hoeverre ik nog iets kan terugdraaien. Nee, ik zal niet terugvallen in alcoholisme of excessief drugsgebruik. Daarvoor heb ik de laatste jaren veel geleerd. Ik ben nu oud en wijs genoeg.”

9. Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste.

,,Ooit zag ik een documentaire waarin de psychiater Van Dantzig – geweldige man, ik wou dat ik bij hem in therapie was – zei dat het belangrijk is om ‘in de waarheid’ te staan. Dat begreep ik heel goed. Ik schrijf beter naarmate ik meer in de waarheid sta. Soms schrijf ik iets waarvan ik, terwijl ik het opschrijf, al denk: is mijn verhouding tot dit onderwerp wel zuiver genoeg? Het gevaar is dat de lezers het pas later zullen voelen, ze zullen het misschien niet kunnen benoemen, maar toch . . . tussen de regels door zullen ze merken dat het niet meer de werkelijkheid is die wordt beschreven. Waar het mij om gaat is dat ik, als schrijver, zo in de materie hang dat alles wat ik opschrijf als vanzelfsprekend klopt. Het moet zijn zoals het is. Begrijp je? Soms voel ik mij zo opgejaagd, niet altijd even kien en helder en dan sluipt de twijfel in mijn stukjes. Ik versta het vak, ik kom een eind, maar het kan tricky worden. Ja, ik ben bang om door de mand te vallen. Zo is het exact. Bang om ontmaskerd te worden. Terwijl er niets te ontmaskeren valt!”
,,Ik ben ook bang om gekleineerd te worden. Laatst had ik ruzie met mijn vrouw. Ze zei: ‘Weet je wat jij bent? Een omhooggevallen windbuil.’ Een omhooggevallen windbuil! Nou, als ik iets niet ben . . . Ik heb alleen maar heel erg hard gewerkt. In volgorde van belangrijkheid staat mijn werk op de tweede plaats. Eerst de kinderen, dan mijn werk, dan mijn vrouw. Ik vind vrede en rust in mijn werk. Daarom doe ik ook zo mijn best.”

10. Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is.

,,Begeren, hunkeren, iemand anders willen zijn, ergens anders willen zijn: dat is allemaal wel aan mij besteed. Ik heb geen enkele reden om ontevreden te zijn en toch . . . ik vind het erg moeilijk om mij neer te leggen bij wie ik ben en hoe ik in het leven sta. Ik wil alles en tegelijkertijd zou ik het liefst met niets tevreden zijn; dat is de spagaat waarin mijn psyche zich bevindt. Maar ik sta niet stil. Een van de grote voordelen van ouder worden is dat ik heb afgeleerd stupide dingen na te jagen. Het grootse, het meeslepende waar ik ooit op heb ingezet, is weggeglipt. Het gaat om de kleine geluksmomenten. Een ondergaande zon. Een kwinkelerende nachtegaal. Alles klopt. Alles is gewoon. Overgave, verzoening! Daar heb je het weer. Een waar woord, inderdaad. Aan ware woorden geen gebrek. In feite is het leven simpel. Ik maak het zelf gewoon zo ingewikkeld.”

Op dit artikel berust copyright! © 2003 Visser, A.

download