Verliefd op Arrie Bouwman

[dropcap]I[/dropcap]n november 1971 was ik elf. Ik zat in de vijfde klas. Ik was verliefd op Arrie Bouwman die in dezelfde klas zat, omdat ze een keer was blijven zitten. Iedere dag liep ik met haar van school naar huis.

We kwamen dan langs een Vivo waar aan de muur twee automaten hingen. Eentje met kauwgumballen, eentje met sigaretten. Het was een grauwe bakstenen muur, een goeie muur om je meisje tegenaan te duwen. Een zoen te ruilen voor de kauwgumbal die je net in je mond had gestoken, snel, anders zagen de mensen het. Daarna sloegen we blozend de hoek om en stonden we voor de Vivo. Ernaast zat een winkel in naaimachines. Aan de overkant was een voetbalveld.

We liepen hand in hand.

Arrie’s hand was warm en beetje plakkerig. Mijn hand ook. Warm en plakkerig, zo is de liefde. Het licht zakte snel op zo’n middag. Het was koud. Adem danstte in pluimen voor ons uit. Tenslotte kwamen we op de hoek waar zij linksaf moest, en ik naar rechts. We lieten elkaar los, kinderen waren we nog, maar toch.

Het afscheid kon beginnen.

Zij liep van mij weg, ik van haar. En maar zwaaien. Je blies zoenen als bellen van je hand, en je gooide met kushandjes, je voelde je lippen droog van de kou tegen je vingertoppen, je handpalm die daarna zwaaiend de lucht in ging. Zo ging het maar door tot één van tweeën uit beeld was verdwenen. Dat was altijd Arrie. Haar straat had een bocht en de mijne was lang en recht. Straight as a preacher, longer than a memory, om met Steve Earle te spreken.

Dan kwam ik thuis. De nieuwe Pep lag op de keukentafel, naast de theepot die onder een muts stond. Mijn moeder was vlees aan het braden, de ramen waren beslagen. Het licht was al aan. Ik schonk mezelf een kop thee in en bladerde door de Pep, om te kijken wat er in stond, want de stripverhalen lezen, dat deed ik pas ’s avonds, na het eten, op mijn eigen kamer. De flauwe verhalen het eerst, de beste het laatst. Roodbaard, Olivier Blunder, De Generaal, Mick Tangy. Dat waren mijn helden. Maar vooral toch luitenant Blueberry.

Ik moest hier gisteren ineens aan denken toen ik op de radio Maggie May van Rod Stewart voorbij hoorde komen. Dat was een hit in het najaar van 1971, en het was mijn eerste plaatje. Ik hield overigens vooral van de B-kant: Reasons To Believe. En hoewel ik het toen niet wist, doet het me nu nog altijd deugd dat oorspronkelijk dát nummer bedoeld was als A-kant. Zowel Stewart als zijn platenmaatschappij zagen meer in de achterkant dan in Maggie May. Helaas beschikten radio en massa anders.

In die novemberdagen van 1971 was Rod Stewarts plaatje het enige dat ik bezat. Oké, ik had ook meisje waar ik verliefd op was. Reden genoeg om ergens in te geloven. Maar ik had geen pick-up. Ik kon ’s avonds het plaatje uit de hoes halen en naar het glimmende vinyl staren. Met mijn vingers de groeven strelen, het Mercury-label betasten. De muziek moest ik er bij denken. In de verte zag ik dan altijd Arrie Bouwman, zwaaiend, haar mond vermomd als winterse zoen.

download


Deze content is geplaatst in categorie: Berichten.