Vier flarden

[dropcap]I[/dropcap]k vind dat je die jongens hard moet aanpakken,” sprak de oude man in het koffiehuis. Hij zat bij het raam, de Telegraaf opgevouwen naast de koffie waar hij langzaam in roerde. “In mijn tijd ging er niemand met je praten als je iets pikte. Dan kreeg je gewoon een pak op je sodemieter. En als je het nog een keer deed, nou ja…” Hij aarzelde en keek naar buiten. Het regende. “Wij werden hard aangepakt,” klonk het toen meewarig.

“Arme Gerrit,” zei de man van het koffiehuis. Hij klonk afwezig, geen wonder, want hij was aan de snijmachine bezig met een grote ham.
“Ik herinner me bijvoorbeeld Sjaak. Heb jij Sjaak gekend? Sjaak uit de Willemstraat, van Willem en Annie daar, die hadden een groentezaak.”
“Sjaak? Nee.”
“Sjaak. Sjakie dus. Die kon met z’n tengels nergens afblijven. Die stak alles bij zich. Als je h’m mee naar huis nam, was je moeder ’s avonds al d’r theelepeltjes kwijt. En dat was wat hoor, een theelepeltje! Sjakie zou je nu een recidivist noemen. Of een draaideurcrimineel. Of weet ik veel. Een patient met een ziekte. Maar het gewoon een etterbak.”
“Gerrit, toe,” zuchtte de man van het koffiehuis, “heb je niet iets anders vandaag?”
“Heb je de krant gezien?” Gerrit zwaaide met De Telegraaf. Slecht nieuws op de voorpagina, chocoladeletters.
“Lees een andere krant Gerrit, heb je daar wel eens aan gedacht?”
Gerrit zweeg en keek bitter naar het water dat langs de ramen van het oude koffiehuis stroomde. Een vrachtwagen aan de overkant van de gracht veroorzaakte een lange, toeterende file. “Wat een teringzooi,” bromde hij.
“Het leven Gerrit,” zei de man van het koffiehuis, “het leven is een teringzooi.” Hij was klaar met de ham, en zette een schaal vol keurig gesneden plakken in de vitrine van zijn toonbank. Daarna veegde hij zijn handen af aan een theedoek.
“Die Sjakie hè,” begon Gerrit weer, “laat me dat nou effe afmaken. Die Sjakie, dat ging van kwaad tot erger, echt – eerst die theelepels, maar snel zat ie in het harde werk. Echt inbreken, en een overvalletje zelfs. Weet je wat h’m gered heeft?”
“Een lekker wijf,” zei de man van het koffiehuis.
Gerrit lachte hees. “Dat had gekund ja, hoewel, lekkere wijven hebben weer veel poen nodig. Nee jongen, het leger. Of een gegeven moment moest Sjaak in dienst. Daar hebben ze een man van h’m gemaakt. Daarna heeft ie nooit meer een theelepeltje gejat.”
“Tsja,” zei de man van het koffiehuis.
“Ik bedoel maar,” zei Gerrit koppig, “discipline, daar gaat het om. Dat moet je leren. Regelmaat.”
“Vandaar dat je hier iedere ochtend komt,” zei de man van het koffiehuis – maar gek genoeg drong die opmerking niet goed tot de oude Gerrit door. Hij keek liever verbitterd naar buiten.

*

“Ik kan soms niet geloven dat je echt doof bent,” zei de vrouw tegen haar buurman. Ze stonden naast elkaar op een tramhalte. De echte ochtendspits was voorbij, en de stad leek weer wat ingedommeld. Een mooi moment is dat. Half tien was het.
“Wat zeg je?” reageerde de buurman. Hij lachte. Het was een grapje. Hij had haar wel degelijk gehoord.
Maar de vrouw begreep het grapje niet, en herhaalde haar opmerking. “Ik kan soms niet geloven dat je echt doof bent.” Ze sprak nu iets harder ook, en duidelijk articulerend. Alsof ze tegen een kind praatte. Je kon zien dat ze het liever anders aan zou pakken. Ze geneerde zich een beetje.
“Ik hoor wel wat hoor,” antwoordde de buurman, een rijzige man met, toepasselijk, grote, vlezige oren die nogal rood afstaken bij zijn smalle, witte gezicht. In beide oorschelpen zaten vleeskleurige gehoorapparaten.
De vrouw knikte.
Ze was zeker twee koppen kleiner dan de man. Ze droeg hoge hakken, dat scheelde. Haar lange zwarte haar lag sluik over haar schouders. Er hing een natte glans over, alsof ze zo onder de douche vandaan kwam. Ze had een mantelpak aan en een korte, leren jas.
“Ik hoor meer dan de mensen denken,” ging de rijzige heer naast haar verder. Hij droeg een lichtgrijs pak dat wat slobberde. Hij had een dikke, rode sjaal om zijn hals geknoopt. Het voorjaar was begonnen, maar het was nog fris. “Maar als ik moe ben, hoor ik minder. ’s Ochtends hoor ik meer dan ’s avonds.” Hij sprak met een harde, zelfverzekerde stem.
“Weet je wat mij nou zo leuk lijkt,” begon de vrouw. Ze deed een stapje naar de man toe.
“Uh?” deed de man. Zonder dat het in de gaten liep, boog hij het hoofd iets naar haar toe.
“Het lijkt mij zo leuk dat je het geluid uit kunt zetten.” Dit was zo’n opmerking die meteen moest worden toegelicht. De vrouw bloosde er van. “Ik bedoel, wij horen alles maar, de hele dag door, herrie en gelul en weet ik veel, maar jij kunt af en toe gewoon je gehoorapparaat uitzetten, of zachter zetten.”
De man lachte.
“Ja toch, of niet?” De vrouw leek ineens door vreselijke twijfel bevangen. Had ze nou wel of niet iets ontzettend doms gezegd? Ze werd gered door de tram die rinkelend de bocht om kwam en met veel gepiep op de halte tot stilstand kwam. De man met de grote oren lachte nog steeds, terwijl hij de vrouw voorliet in de tram.

*

“De mens is een jager, wist je dat niet?” De man die sprak was een klein, onrustig type, een nagelbijter.
“Ik dacht dat we graseters waren,” wierp zijn gesprekspartner tegen. Deze opmerking was cynisch bedoeld, maar dat ontging de nagelbijter.
“Graseters? Haha! Man, héb jij wel eens gras gegeten dan? Ik niet hoor. En ik ken ook niemand die het doet.”
“Grapje,” mompelde de cynicus.
“Dan is het goed,” zei de nagelbijter en hij keek gespannen om zich heen.Het was onduidelijk waar de spanning vandaan kwam. Of was de jager op zoek naar een prooi?
De jongens zaten op een klein Terras in de de binnenstad van Zwolle. Het was een zes uur, de zon had hier en daar nog ruim baan in de oude, smalle straten van de stad, maar echt warm was het niet meer.
“Even zonder dollen,” gooide de cynicus het nu over een andere boeg, “je bent toch wel met eens dat we kuddedieren zijn, of ook niet?”
“Ik niet,” zei de nagelbijter onmiddellijk. Hij greep het glas bier dat voor hem stond en bracht het naar zijn mond. Hij nam een grote slok en liet het schuim op zijn bovenlip staan. Nu had hij een witte snor.
“Jij niet? Jij bent anders hè…” Het klonk bijna boos.
“Ik kan er ook niets aan doen, maar ik ben anders ja,” zei de nagelbijter, “ik ben een jager. Ik heb een atentiespanne van tien minuten. Dan wil ik weer wat anders, dan moet ik ergens anders heen, dan heb ik weer een ander idee.”
“Vermoeiend.” De cynicus veranderde nu in een trouwharige, blonde lobbes die tevreden was met zijn lot als kuddedier. Hij nam een slok van zijn bier, veegde zijn bovenlip schoon en strekte zijn benen. “Lekker,” zuchtte hij.
“Ja, jij hebt het makkelijk,” bromde zijn compaan die terwijl hij op zijn nagels beet het kleine plein waaraan ze zaten aan een grondige inspectie onderwierp. Zijn donkere ogen schoten van links naar rechts, niets en niemand ontging hem. Zijn adamsappel wipte nerveus heen en weer boven zijn wat smoezelige boord. “Wat zullen we doen?” vroeg hij toen.
“Doen?” reageerde zijn vriend, “ik doe niets. Ik zit lekker. Kom op druktemaker. Bestel nog maar een biertje als je wat te doen wilt hebben.”
De nagelbijter veerde uit zijn stoel overeind, blij dat hij een taak had. Het viel niet mee om een jager te zijn van kuddedieren en graseters.

*

“Je weet niet half hoe zwaar het is,” zei de struise blondine bij de koffieautomaat. Ze had zojuist op de knop ‘cappuchino’ gedrukt en wachtte nu tot haar bekertje door de machine gevuld was. Ze had twee dikke mappen onder haar arm. Haar stem klonk mat, alsof ze zelf niet helemaal geloofde wat ze zei.
“Waarom denk je dat?” vroeg de vrouw die iets verderop stond. Deze dame droeg een bril en ze had al koffie. Ze stond het aan een klein rond tafeltje op te drinken.
“Waarom denk ik wát?” vroeg de blondine.
“Dat ik niet weet hoe zwaar het is.”
“Ooh, zomaar,” zei de blonde vrouw en omdat ze dacht dat haar koffie klaar was, pakte ze het plastic bekertje uit de automaat. Een stroom warme melk liep over haar lange vingers. “Auw!” riep ze en ze liet bijna haar koffie vallen.
De bebrilde vrouw glimlachte.
“Lach me niet uit,” zei de blonde kwaad.
“Ik lach je niet uit, maar je bent grappig. Luister. Ik zal je iets vertellen,” stak de vrouw met de bril van wal, “ik heb een zusje, Monique heet ze, en die is al jaren ziek. Behoorlijk ook. Allerlei gedoe. Heel zielig, maar goed, daar gaat het niet om. Vroeger had ze een hele goeie baan, bij buitenland van ING, veel reizen, veel geld.”
De blondine dronk van haar koffie. Ze wipte van haar ene voet op haar andere. Ze had haast.
“Om een lang verhaal kort te maken,” sprak de ander, “na twee jaar thuis te hebben gezeten, heeft ze nu eindelijk weer iets te doen. Weet je wat ze doet? Ze helpt ouden van dagen met boodschappen doen. Ze past op in een speeltuin bij haar in de buurt. Ze helpt mensen met hun belastingaangifte. Ze doet, kortom, vrijwilligerswerk.”
“Goed van je zus,” zei de blonde vrouw zuinig.
“Ja, en weet je wat,” reageerde de ander kwaad, “ze is er gelukkig mee. Kun jij je dat voorstellen?”
“Tuurlijk, waarom niet?” De blonde vrouw was nu extreem onrustig. Ze wilde weg.
“Dan is het goed,” zei de bebrilde vrouw, “maar kun je er dan met iets meer energie in gaan? Iets meer geloof uitstralen? Iets positiever denken?”
“Nou zeg…”
“En je moet je collega’s niet zo onderschatten. Ik ben er helemaal voor dat Jannie hier komt, bijvoorbeeld. Kan mij het schelen dat ze in een rolstoel zit. Maar jij denkt dat het mij niet kan schelen. Jij denkt dat jij alleen de hete kastanjes uit het vuur moet halen, dat het straks jouw probleem is…”
“Ooh.”
“Precies. ‘Ooh’ Tot straks in de vergadering.” De vrouw met de bril draaide zich om en beende weg, een lange, ambtelijke gang in. De blondine draalde nog even en liet toen de koffieautomaat nog een cappuchino maken.

download


Deze content is geplaatst in categorie: Berichten.