Voetstap in de sneeuw

[dropcap]H[/dropcap]a, sneeuw! Ik raak er nog steeds opgewonden van. Een depressie die over het land trekt met sneeuw, sneeuw die blijft liggen! Wel zeven centimeter op sommige plaatsen. Meteen zijn er idioten die een verkeersalarm afkondigen. Alsof alles om het verkeer draait. Weg met die gasten. Sneeuw, geweldig. Zondagavond meldde de televisie dat tussen Weert en Eindhoven een file van 17 kilometer stond – helemaal ingesneeuwd, geen auto die nog een kant op kon.

Ik wilde er onmiddelijk heen.

Maar helaas, dat mocht niet.

In plaats daarvan werd ik maandagochtend wakker in een grijze, kille stad. Hier en daar lag een dun laagje sneeuw op autodaken. Het stelde niets voor. Zo is het nu altijd op maandagochtend. De stad stelt dan altijd teleur. Ik weet niet hoe het komt.

Waar was wel sneeuw?

Op de Veluwe, en in Limburg.

Op naar de Veluwe, want tegen de tijd dat ik in Limburg zou zijn, kon daar de sneeuw wel eens gesmolten zijn. Tegelijkertijd herinnerde ik me ooit te zijn wakker geworden in een hotel aan het Onze Lieve Vrouweplein in Maastricht. Ik opende de gordijnen en een witte wereld knalde me tegemoet. Even later brandde ik in de kerk een kaarsje voor Gerard Reve, die leefde toen nog. Een mooie herinnering.

Inmiddels was ik op de A1.

Naarmate ik dichter bij Amersfoort kwam, begonnen de weilanden witter te kleuren. Amersfoort, ik heb wel vaker het idee gehad dat het echte Nederland pas daar begint. Qua sneeuwgrens klopte het deze keer in ieder geval.

Goed.

Ik nam bij Hoevelaken de A28 en verliet bij Harderwijk de snelweg richting Garderen. Ik zat meteen midden in de bossen, en overal lag sneeuw. Niet zo’n beetje ook – hele dikke takken waren onder de last bezweken en afgebroken. Ik kwam langs een verzakte, oude uitspanning die De Bosrand heette. Er kringelde rook uit de schoorsteen, zoals dat hoort op een besneeuwde dag. Ik begon al aan de jachtverhalen van Turgenev te denken.

Er stonden behoorlijk wat auto’s op het parkeerterrein, anders was ik gestopt voor warme chocolademelk. Maar al die auto’s hadden de sneeuw tot bagger gereden en het hele doel van mijn expeditie was een paar voetstappen in maagdelijke sneeuw te zetten, van die krakende, verende, echte sneeuwpassen.

Ik kwam langs de Ermelosche Heide en daarna Het Speulderveld. De zon brak door de wolken heen. Een grootvader in een bruine houtje-touwtje-jas was er met zijn kleinkind en een slee op uit, in een weiland zag stonden twee paarden te dampen. Zo ver het oog reikte, was alles wit.

Op goed geluk sloeg ik ergens een pad in. Er was nog niemand geweest hier. Ik zag geen voetstappen, geen bandensporen. Ik stopte toen ik bij een hek kwam.

Diep adem halen.

Terwijl ik dat deed viel er een grote klont sneeuw op de motorkap. Ik was nog steeds niet uitgestapt. Plezier moet je uitstellen. Meteen als een idioot over de hei hollen kan iedereen. Ik liet het onvermijdelijke moment dichterbij komen. Toen opende ik de deur en zwaaide ik het linkerbeen naar buiten. Ik had al bijna spijt van mijn voornemen. Het andere been volgde en ik stond buiten. Ik sloot de auto af.

Weer haalde ik diep adem. Had ik dat daarnet maar niet gedaan. Wat ik nu aan lucht binnenkreeg, was van een dronken makende helderheid. Ik zette mijn eerste voetstap. Ach, hoe schitterend kraakte en knerpte de sneeuw onder mijn schoen. Nog een stap, en nog mooier was het geluid, liefelijk, maar ook stoer. Een geluid uit duizenden. Ik begon te lopen, duizelig van stom geluk.


Deze content is geplaatst in categorie: Berichten.