Vrouw boven bureau

[dropcap]J[/dropcap]arenlang hing ze boven mijn bureau, maar op een dag was ze verdwenen, vervangen door iemand anders die inmiddels ook alweer weg is: nu is er alleen nog het miniscule gaatje van een punaise. Wat destijds de beweegredenen waren om haar foto te vervangen, weet ik niet meer, maar gisteren miste ik haar ineens, want ik zag op straat een man zijn haar kammen – hoe vaak zie je dat nog?

Maeve Brennan.

Die naam zal niet veel mensen iets zeggen, en haar foto al helemaal niet, vermoed ik. Uit het hoofd beschreven zag ze er zo uit: een frele, jonge vrouw met een uitzonderlijke bleke huid, het zwarte haar in een strak knoetje, een licht wipneusje, wallen onder de ogen, donkere, verdrietige ogen, vers gestifte lippen. Ze zit bij een brandende open haard, op een tafeltje naast haar staan een glas en een asbak. In haar linkerhand bungelt een sigaret. Ze kijkt ons over haar schouder aan.

Maeve Brennan was Iers, maar ze woonde en werkte in New York, bij het tijdschrift The New Yorker. Ze schreef korte verhalen, altijd over Ierland, en reportages, altijd over het straatleven in New York. Haar fiktie heeft die typische melancholie die bij Ierland hoort, maar haar non-fiktie is speels, elegant en bijzonder geestig. Het is ooit gebundeld in een boek dat The long-winded lady heet, naar de naam van haar rubriek in The New Yorker.

Een van de bekendste stukken van Brennan gaat over een man die op straat zijn haar kamt. Vandaar dat ik aan haar dacht toen ik gisteren een man op straat een kam door zijn haar zag halen. “There is a man around this neighbourhood who is always combing his hair. Once I saw him borrow a comb from a very small shoeshine boy. Then, while he combed his hair, combing it with one hand and smoothing it with the other, he bent and looked into the child’s face as though the little face were a mirror – only a mirror, and nothing more than that. The boy stood and looked up at him, waiting to get his comb back.” Ik weet het niet, het kan aan mij liggen, maar ik vind dit een prachtige scène, en het journalistieke werk van Maeve Brennan zit er vol mee.

Gelukkig was ze niet.

In de liefde niet, in haar werk niet, in haar geldzaken niet. Ze was af en toe getrouwd, maar meestal gescheiden en eenzaam. Ze woonde in tweederangs hotels en werd verteerd door heimwee naar Ierland, waar ze regelmatig naartoe reisde, maar altijd teleurgesteld vandaan kwam. Ze dronk te veel en leed ernstig aan depressies.

In haar nonfiktie is daar weinig van terug te vinden. Daar wandelt ze over straat, of zit ze na het lunch-uur in halflege restaurants naar de nog aanwezige klanten te kijken. Hun gedrag en conversaties zijn haar onderwerp, maar en passant pikt ze ook het schoeisel van pasanten, buiten op straat, mee. De toon van haar stukken zou je blijmoedig fatalistisch kunnen noemen. Voor haar was alles stijl: haar lippenstift moest perfect zitten, en ieder woord dat ze schreef, moest op de goede plek staan. Ze hield in 1973 op met schrijven, en stierf twintig jaar later, berooid en vergeten.

Een paar jaar daarna las ik haar oude stukken voor het eerst, en sindsdien kom ik er met enige regelmaat bij terug. Ik heb haar foto inmiddels weer gevonden, en Maeve Brennan kijkt me nu weer aan met die scherpe, verdrietige, mooie, vermoeide ogen.

[Maeve Brennan. Niet de oorspronkelijke afbeelding]

[Maeve Brennan]

download


Deze content is geplaatst in categorie: Berichten.