Wandeling

[dropcap]H[/dropcap]et was weer om te wandelen. Een lage, maar scherpe zon. Een heldere, blauwe lucht. Blossen op de wangen, een koude neus, handen diep weggestoken in de jaszakken, stevig schoeisel aan de voeten. Ik zag het helemaal voor me.

En daar ging ik.

Na een paar straten had ik de pas er goed in. Een onbegrijpelijk optimisme kwam over me. Als het zo doorging was ik over een half uur aan de rand van de stad, en wat dan?

Doorlopen of terugkeren?

De verleiding om door te lopen was het grootst. Ik had geld bij me, een telefoon, sigaretten, kauwgum, vuur, een gevulde koek – genoeg om de avond mee te halen, en hopelijk een herberg van het ouderwetse slag: genoegelijke gelagkamer, open haard, leestafel, erwtensoep, een paar vaste gasten, boven kleine kamers met eenvoudige ledikanten, een spiegel met het weer erin boven een oude wastafel.

Ik passeerde de stadsgrens.

De zon scheen recht in mijn gezicht, de weilanden lagen wit en schitterend voor me. Het pad dat ik volgde, was kaarsrecht. Hier en daar lag wat ijs, maar veel stelde het niet voor. Er stond een matige wind, die koud aanvoelde – precies zoals ik wilde, ideaal weer om mijn zonden te overdenken: wat deed ik allemaal verkeerd?

Ik kwam op een kruispunt.

Ik kon linksaf, rechtsaf, terug en rechtdoor. Ik zag nog steeds die herberg voor me, maar ik keek ook even op mijn horloge. Ik was anderhalf uur onderweg, het was tien over drie. Over een uur of wat zou het donker gaan worden.

Ik sloeg linksaf.

Eerlijk gezegd in de verwachting dat ik straks opnieuw een kruispunt zou treffen waar ik wéér linksaf zou kunnen slaan – de kant van mijn stad op, naar huis. Maar ik zou daar ook rechtsaf kunnen slaan, mijn denkbeeldige herberg tegemoet. Het hing er maar vanaf wat ik in de tussentijd bedacht. Ik liep stevig door, om de bloedsomloop en het denken te stimuleren. Wat deed ik allemaal fout?

Veel, of alles, eigenlijk.

Ik kwam een dode eend tegen die midden op het pad lag. Ik schoof hem met mijn voet voorzichtig opzij. De eend, een vrouwtje was het, bruin, was een harde, ijzige klomp – allang dood. Toen ik de neus van mijn schoen er tegenaan zette, had ik daar niet op gerekend. Iets in ons zegt dat de dood zacht is, maar dat is maar heel even zo, pal na het sterven. Daarna wordt de dood al snel hard als steen.

Ik vervolgde mijn weg.

De zon verdween achter de horizon, en de kou die eerder nog weldadig had aangevoeld, begon nu onverkwikkelijk te worden. Het was zaak zo snel mogelijk op een kruispunt aan te komen, hopelijk een kruispunt met een ANWB-bord. Niet dat ik verdwaald was, maar ik wilde wel weten hoeveel kilometer ik nog moest lopen – gesteld dat ik wist waar ik heen wilde, want ook dat was niet duidelijk. Wat deed ik allemaal verkeerd? Ook daar was ik nog niet uit.

Daar was het kruispunt.

Linksaf naar huis was zes kilometer, rechtsaf ging nergens heen, en rechtdoor zou ik over drie kilometer een nederzetting treffen. Ik at mijn gevulde koek en rookte een sigaret. De duisternis kwam razendsnel opzetten – en in de verte steeg een vliegtuig op. Ik sloeg linksaf, en liep terug naar de stad. Tegen de tijd dat ik thuis was, zou ik beslist weten wat ik allemaal verkeerd deed. Het was een kwestie van alles helder op een rijtje zetten, simpel.

download


Deze content is geplaatst in categorie: Berichten.